Ministeriële
richtlijn vervolgingsbeleid
COL
12/99 - Ministeriële richtlijn houdende het opsporings- en
vervolgingsbeleid betreffende mensenhandel en kinderpornografie.
Omzendbrief nr. COL 12/99 van het College van Procureurs-generaal
bij de Hoven van Beroep
Mijnheer / Mevrouw de Procureur-generaal,
Mijnheer / Mevrouw de Nationaal magistraat,
Mijnheer / Mevrouw de Procureur des Konings,
Mijnheer / Mevrouw de Arbeidsauditeur,
Betreft : COL 12/99 - Ministeriële richtlijn houdende het
opsporings- en vervolgingsbeleid betreffende mensenhandel en
kinderpornografie.
Ik heb de eer U hierbij de ministeriële richtlijn houdende het
opsporings- en vervolgingsbeleid betreffende mensenhandel en
kinderpornografie over te maken, die de datum draagt van 31 mei
1999. Deze ministeriële richtlijn treedt in werking op 1 september
1999.
Ik verzoek U wanneer de toepassing van deze richtlijn moeilijkheden
zou opleveren, met het bevoegde Parket-generaal contact op te nemen.
Voor het College van Procureurs-generaal (A. VAN OUDENHOVE,
Procureur-generaal te Brussel, F. SCHINS, Procureur-generaal te
Gent, A. THILY, Procureur-generaal te Luik,
G. LADRIERE, Procureur-generaal te Bergen, Chr. DEKKERS,
Procureur-generaal te Antwerpen),
G. LADRIERE,
Procureur-generaal te Bergen,
Voorzitter van het College.
1060 Brussel, 31 mei 1999
Ministerie van Justitie
DIENST VOOR HET STRAFRECHTELIJK BELEID
Ref. : 8/S14/03/CDC/cdc
Richtlijnen van de Minister van Justitie houdende het opsporings- en
vervolgingsbeleid betreffende mensenhandel en kinderpornografie
Deze richtlijnen strekken ertoe een coherent opsporings- en
vervolgingsbeleid uit te werken op het vlak van de strijd tegen
mensenhandel en kinderpornografie. Zij hebben betrekking op deze
bijzonder zware vormen van criminaliteit en laten de toepassing
onverlet van de strafbepalingen in zedenzaken in het algemeen.
Zij voorzien in een eenvormig kader en criteria zodat op het terrein
een gelijkvormig beleid kan worden ontwikkeld. Zij doen geen afbreuk
aan de appreciatiebevoegdheid van de magistraten die hun optreden
kunnen aanpassen op grond van bijzondere gevallen en specifieke
plaatselijke omstandigheden. Iedere afwijking van deze richtlijnen
moet evenwel met redenen kunnen worden omkleed.
1. Toepassingsgebied
1.1. Mensenhandel
Voor de toepassing van de huidige richtlijnen wordt onder
mensenhandel verstaan, het feit dat iemand een persoon onwettig
onderwerpt aan zijn eigen macht of aan de macht van derden door
middel van geweld, bedreigingen of listen of door misbruik te maken
van een gezagsverhouding, met als doel zich toe te leggen op de
uitbuiting van de <prostitutie> van anderen, op vormen van
uitbuiting en van seksueel geweld of op de uitbuiting van vormen van
arbeid en arbeidsvoorwaarden, die strijdig zijn met de menselijke
waardigheid. Met misbruik van gezag wordt bovendien gelijkgesteld
elke vorm van druk, op een zodanige wijze uitgeoefend dat de persoon
eigenlijk geen andere keuze heeft dan zich daaraan te onderwerpen.
Ter zake wordt geen rekening gehouden met elementen als leeftijd,
geslacht en nationaliteit van het slachtoffer.
2. Kinderpornografie
Voor de toepassing van deze richtlijnen wordt onder
kinderpornografie verstaan, voorwerpen of beelddragers van welke
aard ook die houdingen of seksuele handelingen met pornografisch
karakter vertonen waarbij minderjarigen beneden de zestien jaar
worden voorgesteld of betrokken zijn.
Het doorslaggevend element, rekening houdend met de doelstellingen
van deze richtlijnen, is of de minderjarigen al dan niet
daadwerkelijk zijn uitgebuit of ten tonele gevoerd om deze vormen
van kinderpornografie te verwezenlijken.
Er moet worden onderstreept dat kinderpornografie een centrale rol
speelt in het kader van het misbruik van kinderen door seksuele
delinquenten, die kinderpornografie gebruiken ter verantwoording van
hun gedrag, als hulp bij het verleiden van de kinderen en als middel
om op de slachtoffers chantage te plegen en druk uit te oefenen
teneinde aangifte te voorkomen.
2. Coördinatie van de opsporingen en van de vervolgingen
Krachtens de beslissing dd. 14 november 1996 van het College van
Procureurs-generaal is in ieder gerechtelijk arrondissement en bij
ieder Parket-generaal een verbindingsmagistraat inzake mensenhandel
aangewezen.
De verbindingsmagistraten zijn belast met de volgende taken.
2.1. Op het niveau van het Parket-generaal
1. optreden als gesprekspartner van de verbindingsmagistraten van de
parketten van het rechtsgebied;
2. instaan voor de follow-up van de belangrijke dossiers behandeld
door de parketten van het rechtsgebied;
3. opmaken van een jaarverslag over de ondernomen acties en de
eventuele moeilijkheden binnen het rechtsgebied;
4. voorstellen doen aan het College van Procureurs-generaal om de
strijd tegen dit verschijnsel efficiënter te voeren en op een betere
manier aan te pakken.
2.2. Op het niveau van de parketten (eerste aanleg)
1. optreden als aanspreekpunt voor externe actoren (nationale
magistraten, verbindingsmagistraten van de andere arrondissementen,
politiediensten, centrale cel van de rijkswacht, Algemene
Politiesteundienst (APSD), overheden en diensten belast met
administratieve onderzoeken, centra voor de opvang van slachtoffers
van mensenhandel);
2. instaan op het niveau van het parket voor :
- het verzamelen en uitwisselen van inlichtingen afkomstig van de
verschillende diensten en afdelingen van het parket en van het
arbeidsauditoraat van het rechtsgebied;
- het opvolgen van de aangelegde dossiers;
- het opmaken van een jaarverslag ten behoeve van het
Parket-generaal over de evolutie van het verschijnsel en over de, in
het gerechtelijk arrondissement, ondernomen acties;
- het verzorgen van de nodige communicatie met de media in het kader
van het verschijnsel, in samenwerking met de collega's belast met de
relaties met de pers;
3. de procureur-generaal op de hoogte houden van alle belangrijke
dossiers.
In het kader van de uitoefening van deze bevoegdheden organiseert de
verbindingsmagistraat bij het parket van eerste aanleg een in
beginsel tweemaandelijkse en ten minste een driemaandelijkse
vergadering waarop worden uitgenodigd :
- het arbeidsauditoraat;
- de rijkswacht;
- de gerechtelijke politie;
- de gemeentepolitie;
- de afgevaardigde van de Arrondissementele Arbeids- en Sociale
Inspectiecel, die is opgericht krachtens het protocol van 30 juli
1993 betreffende de samenwerking tussen de verschillende sociale
inspectiediensten tot coördinatie van de controles bij inbreuk op de
arbeids- en sociale wetgeving.
Afhankelijk van de situatie kan de verbindingsmagistraat alle
personen of diensten uitnodigen die volgens hem een nuttige bijdrage
kunnen leveren tot opsporingen en vervolgingen inzake mensenhandel,
met name de Dienst Vreemdelingenzaken of de Bijzondere
Belastingsinspectie. Evenzeer zal hij de mogelijkheid van
samenwerking met de nationale magistraten niet veronachtzamen gezien
hun rol van coördinatie van de strafvordering en de
vergemakkelijking van de internationale samenwerking.
Ten minste één keer per jaar organiseert de verbindingsmagistraat
een ontmoeting met de verenigingen die op het terrein
gespecialiseerd zijn in de opvang van de slachtoffers van
mensenhandel teneinde, met eerbiediging van ieders rol, een dialoog
tot stand te brengen.
3. Prioriteiten inzake opsporing en vervolging
Bij de opsporingen en de vervolgingen wordt rekening gehouden met
prioriteiten op grond van de volgende criteria :
Eerste prioriteit :
De jonge leeftijd van de slachtoffers, de mate waarin de menselijke
waardigheid is aangetast en de omvang van het geweld of de
bedreigingen, de belangrijke sociale impact.
Tweede prioriteit :
Het bestaan van elementen waaruit kan worden afgeleid dat er sprake
is van een criminele organisatie zoals omschreven in de wet of van
het voortduren van een criminele activiteit.
4. Organisatie van de opsporingen
4.1. Methode om tot een beeldvorming te komen
Teneinde inlichtingen te verzamelen die ertoe strekken een
gerechtelijke vervolging in te stellen, worden door de
politiediensten en de administratieve diensten, volgens de
beslissingen van de bevoegde magistraten in het kader van de
hierboven beschreven coördinatiestructuur, controles uitgevoerd.
De informatie over natuurlijke of rechtspersonen, ondernemingen of
inrichtingen ten aanzien van welke er elementen bestaan waardoor kan
vermoed worden dat zij betrokken zouden zijn bij mensenhandel, de
productie of de verspreiding van kinderpornografie, en welke zijn
ingewonnen aan de hand van bedoelde controles, worden vermeld op
eenvormige formulieren en geregistreerd in een gegevensbank die twee
bestanden telt, één betreffende mensenhandel, de andere betreffende
kinderpornografie. Deze inlichtingen worden medegedeeld aan de APSD
en aan de centrale cel mensenhandel van het Centraal Bureau der
Opsporingen (CBO) volgens de procedure toegepast in het kader van de
ontwikkeling van het globaal telematisch concept.
Deze controles, formulieren en het aldus aangelegde bestand mogen
geen inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer of op de
waardigheid van de personen, in het bijzonder degenen die
slachtoffer zijn van mensenhandel, prostituee of niet. Dit betekent
dat van het slachtoffer van mensenhandel geen foto of
vingerafdrukken kunnen worden genomen zonder schriftelijke
toestemming en dat de bewaring alsook de behandeling van deze
gegevens strikt beperkt is tot de gerechtelijk doelstellingen.
Betrokkenen kunnen ten allen tijde vragen dat alle foto's of
vingerafdrukken die hen aanbelangen onmiddellijk worden verwijderd
uit de dossiers, bestanden of gegevensbanken waarin zij zouden
opgeslagen zijn, en vernietigd worden. Zij kunnen laten nagaan of
met hun beslissing rekening is gehouden, conform hetgeen bepaald is
in de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke
levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.
Indien niet gevraagd werd om de gegevens te schrappen, zal de
bewaringstermijn ervan identiek zijn aan diegene die voorzien is
voor de daders van inbreuken.
Bij de organisatie van de controles zal er over gewaakt worden dat
er niet af geweken wordt van de doelstellingen van deze richtlijn.
Er mag vooral niet uit het oog worden verloren dat de doelstelling
erin bestaat vervolging mogelijk te maken ten laste van personen die
mensenhandel of kinderpornografie organiseren of er voordeel
uithalen. Speciale aandacht moet ook worden besteed aan de opsporing
van het verschijnsel van verplaatsing van personen.
Vormen van controle, die tegen de slachtoffers of de prostituees
zijn gericht, dan wel voor deze personen ongemakken zouden
meebrengen die niet in verhouding staan met de doelstellingen,
moeten worden vermeden. Controles die hoofdzakelijk ertoe zouden
leiden de zichtbare vormen van bedoelde verschijnselen in het
daglicht te stellen, maar irrelevant zijn met betrekking tot het
gestelde doel, moeten eveneens worden vermeden.
De inlichtingen verzameld op plaatselijk vlak worden bezorgd aan het
nationale niveau en ter beschikking gehouden van de bevoegde
magistraten. De op federaal vlak behandelde inlichtingen worden in
voorkomend geval, ambtshalve of op verzoek, opnieuw aan het lokale
niveau bezorgd zodat de plaatselijke verantwoordelijken, zowel
magistraten als politieambtenaren, hun optreden in een globaal kader
kunnen situeren.
Krachtens de ministeriële richtlijn van 21 februari 1997 tot
regeling van de samenwerking en coördinatie tussen de
politiediensten inzake opdrachten van gerechtelijke politie, staan
de gerechtelijke politie bij de parketten, de rijkswacht en de
gemeentepolitie in voor de inzameling van de gegevens van de
onderzoeken die zij voeren in het specifieke domein van de
georganiseerde criminaliteit. De toewijzing van de zaken aan die
drie diensten geschiedt in beginsel volgens de specialisering zoals
bedoeld in punt 5 van deze richtlijn (Richtlijn van 21.02.1997, punt
5.3). Verwijzend naar punt 5.2. van de bedoelde richtlijn, doen de
magistraten wat de mensenhandel (netwerken) betreft bij voorrang een
beroep op de rijkswacht.
In punt 4.1 van voornoemde richtlijn is bepaald dat een in een
bepaalde materie gespecialiseerde dienst ter zake strategische
analyses uitvoert van de evolutie, de ernst, de aard en de omvang
van het fenomeen en van de risicosectoren.
Gelet op de ministeriële richtlijn tot regeling van de samenwerking,
de coördinatie en de taakverdeling tussen de lokale politie en de
federale politie inzake de opdrachten van gerechtelijke politie van
16 april 1999, zullen alle betrokken diensten alle inlichtingen
overmaken aan de Documentatie en Opsporingsbureaus op het niveau van
de rijkswachtdistricten (D.B.O.). De D.B.O.'s zullen alle
inlichtingen die van belang zijn voor het verrichten van de
strategische analyses aan de centrale cel mensenhandel van de
rijkswacht overmaken, die deze gegevens ter beschikking houdt van de
bevoegde magistraten en voor hen een "beeld" schetst van de
verschijnselen mensenhandel en kinderpornografie, zoals omschreven
in deze richtlijn.
Deze beeldvorming zal de magistraten, in het kader van de krachtens
deze richtlijn in het leven geroepen coördinatiestructuren, de
mogelijkheid bieden om opsporingen zodanig te organiseren dat
vervolging kan worden ingesteld volgens de hierboven vastgelegde
prioriteiten. Trouwens, alle verzamelde inlichtingen worden gebruikt
voor de evaluatie van de opgezette acties, in het kader van
voornoemde coördinatiestructuren, waarin de bevoegde magistraten
mededeling zullen doen van de behaalde resultaten en van de
problemen die zich tijdens de procedure hebben voorgedaan. In het
kader van deze voortdurende evaluatie moet de rol van de
verbindingsmagistraten bij de parketten-generaal duidelijk worden
onderstreept.
4.2. Vaststelling van de wijzen van optreden
Zodra over de prioriteiten een beslissing is genomen in functie van
de informatie verzameld op verschillende niveaus, worden in het
kader van de coördinatiestructuren concrete acties uitgewerkt onder
de leiding en het gezag van de bevoegde magistraten.
Bijzondere aandacht zal besteed worden aan de financiële en fiscale
benadering.
4.3. Deontologische regels voor politieambtenaren
Teneinde normvervaging van de politieambtenaren werkzaam op het
specifieke terrein van de mensenhandel, meer bepaald daar waar de
nadruk ligt op de seksuele exploitatie van het slachtoffer, te
voorkomen, zullen deze tijdens de uitoefening van hun taak rekening
dienen te houden met een aantal basisregels. Politieambtenaren
zullen zich enerzijds moeten houden aan een aantal principes en
anderzijds ongepaste gedragingen moeten vermijden.
Voor de uitvoering van de controles zullen de politieambtenaren bij
voorkeur met meerdere personen optreden.
5. Inachtname van de belangen van de slachtoffers
Hoewel het kan gebeuren dat personen uitgebuit in het kader van
mensenhandel of kinderpornografie niet voldoen aan de eisen in de
sociale wetgeving of in de wetgeving betreffende de toegang tot, het
verblijf en de vestiging op het grondgebied van ons land, moet er
steeds rekening mee worden gehouden dat zij op de eerste plaats het
slachtoffer zijn van vormen van criminaliteit die bij voorrang
moeten worden bestreden.
De precaire toestand waarin zij ten gevolge van hun niet-reguliere
toestand leven en hun moeilijke situatie op sociaal-economisch vlak
wordt, door diegenen die hen uitbuiten, gebruikt om druk of zelfs
dwang op hen uit te oefenen.
Bij alle acties in het kader van deze richtlijnen moet voortdurend
worden geprobeerd methodes te vermijden die ertoe zouden kunnen
leiden dat die precaire toestand erger wordt of blijft voortbestaan,
dat slachtoffers van mensenhandel tot nog meer clandestiniteit
worden gedwongen, en als dusdanig de greep van de georganiseerde
criminaliteit versterken en de opvang van en de bijstand aan de
slachtoffers bemoeilijken.
Het is raadzaam de slachtoffers door te verwijzen naar de erkende
diensten die bijstand verlenen en in voorkomend geval de
omzendbrieven toe te passen van 7 juli 1994 "betreffende de afgifte
van verblijfs- en arbeidsvergunningen (arbeidskaarten) aan
vreemdelingen, slachtoffers van mensenhandel" en van 13 januari 1997
betreffende "richtlijnen aan de Dienst Vreemdelingenzaken,
parketten, politiediensten, inspectie van de sociale wetten en de
sociale inspectie omtrent de bijstand aan slachtoffers van
mensenhandel".
6. Evaluatie
Het College van Procureurs-generaal zal de Minister van Justitie
jaarlijks een evaluatie van deze richtlijnen bezorgen.
Met het oog op de evaluatiewerkzaamheden en om de uitwisseling van
inlichtingen en terreinervaringen aan te moedigen, organiseert de
Dienst voor het Strafrechtelijk Beleid in overleg met het College
van Procureurs-generaal, ieder jaar een vergadering met de
verbindingsmagistraten, belast met de strijd tegen mensenhandel, bij
de rechtbanken van eerste aanleg en bij de hoven van beroep, waaraan
ook de nationale magistraten zullen deelnemen.
7. Inwerkingtreding
Deze richtlijnen treden in werking op 1 september 1999.
Brussel, 31 mei 1999
De Minister van Justitie
T. VAN PARYS
Noot van de dienst JUSTEL :
- bestemmelingen :
Overgemaakt aan dames en heren :
Procureur des Konings
Arbeidsauditeur
Hoofdgriffier Hof van Beroep
Hoofdgriffier Arbeidshof
Hoofdsecretaris parket Hof van Beroep
Hoofdsecretaris auditoraat Arbeidshof
Adjunct-adviseur slachtofferhulp
Toegestuurd aan dames en heren
Eerste Substituten, Substituten en toegev. Substituten
Gerechtelijke stagiair(e)s
Hoofdgriffier Rechtb. 1e aanleg
Hoofdsecretaris parket PK
Justitieassistenten slachtofferonthaal
Hoofdcommissarissen gerechtelijke politie
Commandanten Rijkswachtdistricten en Rijkswachtbrigades
Burgemeesters
(Hoofd)politiecommissarissen
Brigadecommissarissen en (hoofd)veldwachters
- datum van inwerkingtreding : 1999-09-01
- basisreglementering(en) : /
- relatie tot andere omzendbrief(/ven) : /