Raad van State -
uitspraak concentratiereglement 2001
RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE.
ARREST
nr. 97.535 van 6 juli 2001
in de zaak A. 102.089/XII-3008.
In zake :
1. Danny VEREECKE,
2. Micheline MANFROID,
3. Maurice BUSSCHAERTS,
4. Hugo VAN DER AUWERMEULEN,
5. Monica STOCES,
6. Eddie PAUWELS,
7. Virginia VAN DER ZANDEN,
die woonplaats kiezen bij advocaat D. VAN HEUVEN, kantoor houdende
te KORTRIJK, President Kennedypark 8 B
8. Mariette VERSCHUEREN,
9. Rachella KAMIONKOWSKA,
10. Jacqueline LAURENT,
die woonplaats kiezen bij advocaat E. DU MOULIN, kantoor houdende te
ANTWERPEN, Van Eycklei 17, bus 5
11. Jacobus HAEPERS,
die woonplaats kiest bij advocaat D. VAN HEUVEN, kantoor houdende te
KORTRIJK, President Kennedypark 8 B
tegen :
de stad ANTWERPEN,
die woonplaats kiest bij advocaat R. POCKELE-DILLES, kantoor
houdende te ANTWERPEN, Stoopstraat 1, bus 13.
DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER,
Gezien het verzoekschrift dat Danny VEREECKE, Micheline MANFROID,
Maurice BUSSCHAERTS, Hugo VAN DER AUWERMEULEN, Monica STOCES, Eddie
PAUWELS, Virginia VAN DER ZANDEN, Mariette VERSCHUEREN, Rachella
KAMIONKOWSKA, Jacqueline LAURENT en Jacobus HAEPERS op 21 maart 2001
hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te
vorderen van het besluit van 19 juni 2000 van de gemeenteraad van
Antwerpen om hoofdstuk IV van de code van de gemeentelijke
politiereglementen aan te vullen met de artikelen 62.1 en 62.2;
Gezien de nota van de verwerende partij;
Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd F.
DE BUEL;
Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen;
Gelet op de beschikking van 11 mei 2001 waarbij de terechtzitting
bepaald wordt op 22 mei 2001;
Gehoord het verslag van staatsraad J. LUST;
Gehoord de opmerkingen van advocaat D. VAN HEUVEN, die verschijnt
voor de eerste tot en met de zevende verzoekende partij en voor de
elfde verzoekende partij, van advocaat E. DU MOULIN, die verschijnt
voor de achtste, de negende en de tiende verzoekende partij en van
advocaat R. POCKELE-DILLES, die verschijnt voor de verwerende
partij;
Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd F.
DE BUEL;
Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de
wetten op de Raad van State,
gecoördineerd op 12 januari 1973;
Overwegende dat de artikelen 58 tot en met 62 van hoofdstuk IV van
de code van de gemeentelijke politiereglementen van de stad
Antwerpen onder meer verbieden dat personen die ontucht plegen, zich
aan prostitutie overgeven, er de schijn van opwekken ofertoe
aansporen, dit aan de voorbijgangers tonen, dat van op de openbare
weg zichtbare aanstootgevende publiciteit wordt gemaakt om een huis
van ontucht of prostitutie kenbaar te maken, dat in de onmiddellijke
omgeving van scholen, gebouwen van de eredienst entypische
woongebieden huizen of kamers ter beschikking worden gehouden voor
het plegen van ontucht of het zichovergeven aan prostitutie en dat
een huis of eengedeelte ervan wordt verhuurd of onderverhuurd
aanpersonen die de voormelde verboden overtreden;
Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen in de
tweede helft van 1997 beslist te komen tot "een projectmatige aanpak
van de prostitutieproblematiek" en op 14 mei 1998 het adviesbureau
Seinpost belast met de ontwikkeling van een beleidsplan prostitutie;
dat volgens het beleidsplan een inperking van de prostitutie in het
Schipperskwartier "meer dan wenselijk is" en dat "het zogenaamde
V-model het best na te streven concentratiemodel" is, waarbij "(h)et
V-model bestaat uit een aaneengesloten concentratiegebied, bestaande
uit de Schippersstraat, (een deel van de) Vingerlingstraat en de
Verversrui";
Overwegende dat met verwijzing naar het beleidsplan de gemeenteraad
op 19 juni 2000 besluit onder meer hoofdstuk IV van de code van de
gemeentelijke politiereglementen aan te vullen met de artikelen 62.1
en 62.2; dat volgens artikel 62.1 de verboden in de artikelen 58 tot
en met 62 gelden op of aan de openbare wegen en gebieden van het
grondgebied van de stad, uitgenomen het concentratiegebied,
waaronder verstaan wordt : Verversrui, Vingerlingstraat en
Schippersstraat;
dat luidens artikel 62.2 bij de vaststelling van overtreding van de
verordening het college van
burgemeester en schepenen kan besluiten tot de administratieve
sluiting van de instelling, tijdelijk of definitief, en eerst nadat
de overtreder voorafgaand een waarschuwing heeft ontvangen;
Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde
wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de
tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde
dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de
aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke
tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te
herstellen ernstig nadeel kan berokkenen;
Overwegende, wat de eerste voorwaarde betreft, dat verzoekende
partijen zeven middelen
aanvoeren; dat het eerste middel de schending van de artikelen 87,
87bis en 97, tweede lid, van de nieuwe gemeentewet betreft; dat
wordt toegelicht dat het voorstel tot wijziging van de gemeentelijke
politiecode niet op de schriftelijke oproeping voor de
gemeenteraadsvergadering vermeld stond, noch middels aanplakking aan
de bevolking van Antwerpen bekendgemaakt is, dat bijgevolg de
bestreden beslissing enkel formeel als geldig kan worden beschouwd
wanneer het betreffende voorstel bij spoedeisendheid is behandeld
geworden nadat daartoe door tenminste twee derde van de aanwezige
gemeenteraadsleden beslist is geworden;
Overwegende dat in de huidige stand van de procedure wordt
aangenomen dat, zoals uit het verslag van de zitting van 19 juni
2000 blijkt, de gemeenteraad met eenparigheid heeft besloten onder
meer het punt "Samenlevingsopbouw. Integrale aanpak prostitutie.
Aanvulling van hoofdstuk IV van de code van de gemeentelijke
politiereglementen" te bespreken; dat dit niet wordt tegengesproken
door "de vaststelling dat de bestreden beslissing in de gemeenteraad
van 19 juni 2000 'slechts' met 31 stemmen tegen 20 werd aangenomen";
dat de instemming met een spoedbehandeling en de instemming ten
gronde twee verschillende zaken zijn; dat het middel niet ernstig
is;
Overwegende dat luidens het tweede middel artikel 97, eerste lid,
van de nieuwe gemeentewet en de motiveringsplicht geschonden zijn;
dat wordt uiteengezet dat verzoekende partij de ingeroepen
hoogdringendheid niet heeft gemotiveerd en dat die wordt
tegengesproken door het tijdsverloop tussen het aannemen van het
besluit en de publicatie ervan 217 dagen later;
Overwegende dat artikel 97 van de nieuwe gemeentewet voorschrijft
dat een punt dat niet op de agenda voorkomt niet in bespreking mag
worden gebracht, behalve in spoedeisende gevallen wanneer het
geringste uitstel gevaar zou kunnen opleveren; dat het voorschrift
er toe strekt de volledige uitoefening van de prerogatieven van de
gemeenteraadsleden te waarborgen;
dat verzoekende partijen, ofschoon geen gemeenteraadsleden, menen
niettemin belang te hebben bij het doen gelden van het middel; dat
zij dit belang hierdoor verantwoorden dat "de gemeenteraadsleden
ongedocumenteerd en onvoorbereid de debatten aangaande de bestreden
beslissing hebben moeten voeren" en, indien zulks niet het geval was
geweest, misschien een andere en minder nadelige beslissing zouden
hebben genomen; dat dit op het eerste gezicht niet overtuigt; dat
vooralsnog uit de unanieme instemming met de spoedbehandeling wordt
afgeleid dat alle gemeenteraadsleden zich wel degelijk voldoende
geïnformeerd en in staat achtten om met kennis van zaken over het
nieuwe punt een beslissing te kunnen treffen; dat het middel niet
ernstig is;
Overwegende dat het derde middel de motiveringsplicht geschonden
noemt doordat -eerste
onderdeel- de motieven in de bestreden beslissing de toets aan de
werkelijkheid niet kunnen doorstaan, doordat -tweede onderdeel- de
bestreden beslissing zonder enige verantwoording kiest voor het
V-model, terwijl door het adviesbureau Seinpost zeven
"concentratiemodellen" werden voorgesteld, en doordat -derde
onderdeel- het in aanmerking genomen concentratiegebied te klein is
om de 200 vitrines te kunnen tellen waarnaar gestreefd wordt;
Overwegende, met betrekking tot het eerste onderdeel, dat blijkens
zijn aanhef het bestreden
besluit in essentie verantwoord wordt door de vaststelling dat de
leefkwaliteit in het
Schipperskwartier de laatste jaren sterk achteruit is gegaan ten
gevolge van de vormen van overlast en criminaliteit die met de
prostitutieactiviteiten gepaard gaan, en door de wens om de
leefkwaliteit en de veiligheid in de wijk te verbeteren; dat
enerzijds die verantwoording steun lijkt te vinden in het
beleidsplan prostitutie van het adviesbureau Seinpost; dat
anderzijds zij niet fundamenteel in het gedrang wordt gebracht door
te stellen, zoals in het besproken onderdeel wordt gedaan, dat de
raamprostitutie en de criminaliteit in het Schipperskwartier niet
zijn toegenomen, dat de woonfunctie is afgenomen en dat de meeste
bewoners geen bezwaar hebben tegen raamprostitutieactiviteiten; dat
het onderdeel niet ernstig is;
Overwegende, met betrekking tot het tweede onderdeel, dat de
bestreden beslissing verwijst naar en stoelt op het beleidsplan
prostitutie van het adviesbureau Seinpost; dat de bijlage
"concentratiemodellen" bij het beleidsplan zeven verschillende
modellen toetst aan zes
beoordelingscriteria en met mekaar vergelijkt; dat op basis van die
vergelijking het adviesbureau het zogenaamde V-model "het best na te
streven concentratiemodel" noemt; dat het die zienswijze op pagina's
35 en 36 van het beleidsplan uitvoerig motiveert; dat de
gemeenteraad geacht moet worden zich bij die motivering aangesloten
te hebben; dat het onderdeel niet ernstig is;
Overwegende, met betrekking tot het derde onderdeel, dat blijkens
het beleidsplan waarop de
bestreden beslissing zich baseert het aantal prostitutieramen in het
concentratiegebied tot "maximaal 200" beperkt dient te worden; dat
dit aldus wordt begrepen dat er niet méér, wel minder
prostitutieramen mogen zijn; dat daar bijgevolg niet onverenigbaar
mee is de eventuele onmogelijkheid om het maximum van 200 ramen in
de gekozen concentratiezone ook effectief te bereiken; dat het
onderdeel niet ernstig is;
Overwegende dat het vierde middel bevoegdheidsoverschrijding
aanvoert, schending van artikel 121 en 135, § 2, 7°, van de nieuwe
gemeentewet en van de motiveringsplicht; dat het eerste onderdeel
verwerende partij verwijt geen rekening te hebben gehouden met het
advies van Seinpost volgens hetwelk de gemeenten geen verordening
mogen opstellen die er op gericht is de overlast in een daartoe door
de gemeente aan te wijzen concentratiegebied actief aan te pakken;
dat volgens het tweede onderdeel de bestreden beslissing ten
onrechte gesteund is op artikel 135, § 2, 7°, van de nieuwe
gemeentewet, maar in werkelijkheid de reglementering van de
raamprostitutie beoogt; dat naar luid van het derde onderdeel, de
bestreden maatregel, in
zoverre hij op artikel 135, § 2, 7°, van de nieuwe gemeentewet
steunt, buiten elke verhouding tot de geviseerde overlast staat;
Overwegende, met betrekking tot het eerste onderdeel, dat volgens
het beleidsplan prostitutie van het adviesbureau Seinpost de
gemeenten wel een verordening mogen opstellen die er op gericht is
de overlast van de prostitutie in al hun wijken, straten en buurten
actief aan te pakken, maar niet de overlast in een daartoe door de
gemeente aan te wijzen concentratiegebied; dat de verwerende partij,
verre van het advies van Seinpost in de wind te slaan, integendeel,
zoals uitdrukkelijk door het adviesbureau voorgesteld ("Actie 1", op
p. 28), een verordening heeft opgesteld die gericht is op het
beschermen van de openbare rust en openbare zedelijkheid in vrijwel
al haar wijken, uitgezonderd in onder meer een concentratiegebied in
het Schipperskwartier; dat het onderdeel niet ernstig is;
Overwegende, met betrekking tot het tweede en het derde onderdeel,
dat de bestreden beslissing uitdrukkelijk steun zoekt in onder meer
"de wet van 21 augustus 1948 tot afschaffing van de officiële
reglementering van de prostitutie, in het bijzonder artikel 1 lid
2", thans artikel 121 van de nieuwe gemeentewet, volgens hetwelk
door de gemeenteraden verordeningen tot aanvulling van de wet van 21
augustus 1948 kunnen worden vastgesteld indien zij tot doel hebben
de openbare zedelijkheid en de openbare rust te verzekeren; dat
vooralsnog wordt aangenomen dat de beslissing daar een voldoende
rechtsgrond in vindt; dat het in dit licht voorkomt niet ter zake te
doen of de beslissing wel terecht tevens naar het artikel 135, § 2,
7°, van de nieuwe gemeentewet verwijst en of de verordening, in
zoverre zij op die bepaling berust, dan niet onevenredig is ten
opzichte van de te beteugelen overlast; dat de onderdelen niet
ernstig zijn;
Overwegende dat in het vijfde middel essentieel wordt betoogd dat de
bestreden beslissing en
de drastische en onherroepelijke gevolgen die zij meebrengt niet in
een proportionele verhouding staan tot de situatie die verwerende
partij wil regelen, dat het kennelijk onredelijk is een
concentratiegebied vast te stellen bestaande uit amper drie straten,
zodat het grootste gedeelte van de bestaande
raamprostitutieactiviteiten in Antwerpen wordt geliquideerd, en dat
ook het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden doordat geen
pertinente, adequate motieven worden aangebracht die redelijkerwijze
kunnen verantwoorden waarom het concentratiegebied wordt beperkt tot
drie straten en waarom de ene straat wel en de andere niet binnen
het concentratiegebied wordt gelokaliseerd;
Overwegende dat de bestreden beslissing er toe strekt de
leefkwaliteit en de veiligheid in het Schipperskwartier te
verbeteren en daartoe de raamprostitutie beheersbaar wil maken door
een beperking van het prostitutiegebied en een vermindering van de
prostitutieramen; dat, getuige de bijlage "concentratiemodellen" bij
het meergenoemde beleidsplan prostitutie, zeven modellen om tot dat
ogenschijnlijk niet onwettige doel te komen uitvoerig gewikt en
gewogen
zijn; dat het zogenaamde V-model als "het best na te streven" naar
voor kwam; dat de redenen daarvoor zijn, benevens een nadrukkelijke
inperking van de prostitutie in de wijk, de beperkte
stedenbouwkundige invloed van de concentratie op de wijk, de
gemakkelijk én goed vorm te
geven verkeersafwikkeling, waardoor woonstraten in het geheel niet
belast worden door prostitutieverkeer, de goede beheersbaarheid van
de openbare orde en de quasi volledige afwezigheid van "overlap van
het prostitutiegebied met andere functies in de omgeving
zoals woonfuncties en bedrijvigheid"; dat verzoekende partijen niet
aantonen dat die redenen ondeugdelijk zouden zijn, noch een ernstig
alternatief voor het V-model aanvoeren dat in een meer proportionele
verhouding tot het beoogde doel staat; dat in de huidige stand van
zaken dan ook wordt aangenomen dat de gemeenteraad niet onevenredig
of kennelijk onredelijk heeft gehandeld door voor het V-model te
kiezen; dat gelet op de motieven die aan de keuze ten grondslag
liggen en die verklaren waarom de ene straat niet en de andere wel
uit
de concentratie uitgesloten wordt, evenmin het gelijkheidsbeginsel
geschonden lijkt; dat het middel niet ernstig is;
Overwegende dat het zesde middel aanvoert dat wanneer de stad zo
fundamenteel op de situatie en belangen van een heel aantal mensen
inwerkt, het vereist is dat voorafgaandelijk wordt overgegaan tot
overleg met de rechtstreeks betrokkenen, minstens dat zij worden
aanhoord, en dat door zulks niet te doen de beginselen van
behoorlijk bestuur, meer bepaald de hoorplicht en de
zorgvuldigheidsplicht, miskend zijn;
Overwegende dat het middel, daargelaten of de geschonden geachte
beginselen van behoorlijk bestuur onverkort en zonder meer ook
gelden bij de vaststelling van algemene en onpersoonlijke normen
zoals de bestreden beslissing er een is, feitelijke grond lijkt te
missen;
dat het immers tot de opdracht van het adviesbureau Seinpost
behoorde, getuige het bestek van de betreffende algemene
offerteaanvraag, om met het oog op het opstellen van het beleidsplan
prostitutie informatie in te winnen bij "buurtbewoners, prostituées,
beleid, openbare diensten, handelaars en andere betrokkenen";
dat luidens het beleidsplan (p. 5) ook effectief "met de buurt en de
beroepsgroep gecommuniceerd" werd, op 28 en 29 oktober 1998; dat
vooralsnog niet wordt bijgetreden dat de verwerende partij
onzorgvuldig is geweest door de rechtstreeks betrokkenen niet te
hebben gehoord; dat het middel niet ernstig is;
Overwegende dat luidens het zevende middel het vertrouwens- en
rechtszekerheidsbeginsel geschonden zijn doordat meerdere eigenaars
van buiten het concentratiegebied een bouwvergunning kregen voor het
inrichten van een raamprostitutiepand, waardoor zij zich rechtmatig
mochten verwachten aan het behoud van deze functie;
Overwegende dat de gemeenteraad met het bestreden politiereglement
beoogt de openbare
zedelijkheid en de openbare rust te verzekeren; dat, zoals hoger
reeds gesteld, doel, motieven en inhoud van het reglement alvast een
eerste wettigheidtoetsing kunnen doorstaan; dat tenminste in de
huidige stand van de procedure wordt aangenomen dat tegen die op het
eerste gezicht wettige uitoefening van de politiebevoegdheid de in
het middel ter sprake gebrachte bouwvergunningen niet opwegen, des
te minder waar niet aangetoond wordt en zelfs niet beweerd wordt dat
bij de afgifte ervan de in artikel 121 van de nieuwe gemeentewet
bedoelde vrijwaring van de openbare zedelijkheid en de openbare rust
moest of tenminste kón hebben meegespeeld;
dat het middel niet ernstig is;
Overwegende dat geen ernstige middelen worden aangevoerd; dat deze
vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing te verwerpen,
BESLUIT:
Artikel 1.
De vordering tot schorsing wordt verworpen.
Artikel 2.
De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de
vordering tot schorsing wordt uitgesteld.
Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes
juli 2001, door :
de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad,
F. BONTINCK, toegevoegd griffier.
De griffier, De voorzitter,
F. BONTINCK. J. LUST.