|
|
|
|
|
|
|
|
|
Opmerkingen betreffende relatie van de Seinpost studie tot de aanpak van de prostitutie door de Stad Antwerpen
Inleiding
In wat volgt beargumenteren we twee opmerkingen betreffende de verhouding van de Seinpost studie "Beleidsplan Prostitutie Antwerpen" (Rotterdam, juni 1999) tot de aanpak van de prostitutie door de Stad Antwerpen.
Deze opmerkingen kunnen als volgt worden geformuleerd:
Geen studie naar de wenselijkheid van een concentratiegebied. De Seinpost studie is geen studie naar de wenselijkheid van een concentratiegebied. De studie vertrekt van een keuze gemaakt door het College van de Stad Antwerpen (Burgemeester + politie). De Seinpost studie is wel - en louter - een uitwerking van een actieplan om de beleidskeuze, door het College van de Stad Antwerpen naar voor geschoven - uit te voeren. Als dusdanig kan de Seinpost studie beter worden opgevat als een beperkte opdracht, eerder dan als een studie naar de grond van de zaak.
De studie werkt een beleidsmogelijkheid uit, maar is geen wetenschappelijke studie op basis waarvan een keuze kan worden gemaakt.
Op de Collegezitting van 28 augustus 1997 wordt de Beleidsontwikkelinggroep Prostitutie (BOP) opgericht, vanuit "de noodzaak om te komen tot een integrale aanpak van de problematiek via het omzetten van de beleidsvisie in een beleidsplan en een projectplan." (onze accentuering). BOP kent als permanente leden: de hoofdcommissaris, de directeur van het kabinet van de burgemeester en de directeur van het departement voor sociale zaken, afgevaardigden van het kabinet van de schepen voor emancipatiezaken, het departement ruimtelijke ordening en sociale zaken evenals de emancipatieambtenaar. Dit houdt in dat STOEP (Stedelijk Overleg Emancipatie Prostitutie), waar ook externe partners zoals Payoke bij betrokken waren, wordt opgedoekt en dat vanaf nu enkel interne partners mogen meepraten (BOP).
In haar rapport van 1999 schrijft Seinpost dat het traject van haar opdracht in twee onderdelen is gesplitst, namelijk het opstellen van beleidsvisie enerzijds, en deze verder uit te werken tot het beleidsplan prostitutie Stad Antwerpen anderzijds. (p.5) Seinpost schrijft er meteen bij dat er "een actieve begeleiding heeft plaatsgevonden door de ingestelde Beleidsontwikkelinggroep Prostitutie …" en "Meer frequent werd de beleidsvisie afgestemd met de door het College ingestelde Beleidsambtenaar Prostitutie" - zijnde de prostitutieambtenaar mevr. Martens.
Op 30 september 1998 formuleert BOP een advies - hetwelk op 6 oktober 1998 schriftelijk aan het College wordt overgemaakt - voor de toekomstige gedoogzone in het Schipperskwartier. Onder invloed van bestuursdirecteur Veiligheid Knockaert en de politietop wordt voor het U-model gekozen, hetwelk drie van de zeventien straten omvat, en later het V-model wordt genoemd. Een niet-permanent lid, professor Morival, onthoudt zich van stemming. Volgens hem kan en mag BOP geen uitspraak doen voor de hoorzittingen achter de rug zijn, omdat het curciaal is te weten hoe de betrokkenen er zelf over denken. Mevr. Martens - prostitutieambtenaar - antwoordt dat deze hoorzittingen niet dienen opgevat te worden als inspraakvergaderingen maar eerder als informatievergaderingen. Het is dus meteen ook duidelijk dat de mening van de betrokkenen irrelevant wordt geacht voor het beleid.
Vreemd, het rapport Seinpost schrijft (p.5) dat er ook met de buurt en de beroepsgroep werd gecommuniceerd, namelijk op 28 en 29 oktober 1998, en dat: "Tijdens deze bijeenkomsten bleek de opgestelde visie een goed uitgangspunt te zijn voor verdere uitwerking naar het beleidsplan." - en dit terwijl:
Vreemd is - ons inziens - ook dat het College op 30 maart 2000 de opdracht geeft om over te gaan tot de aankoop van het pand Verversrui 17-19, "gelegen in het toekomstig concentratiegebied raamprostitutie", en dit terwijl het beleid pas twee maand later, op 19 juni 2000, door de gemeenteraad zal - of moest ? - worden goedgekeurd. Het gekozen V-model bevat 128 ramen, terwijl het rapport Seinpost een capaciteit van 200 ramen vooropstelt (p.37-38). Een aannemelijke verklaring voor het inderhaast aankopen van het pand in de Verversrui lijkt ons dan ook de nood om de 70 ontbrekende ramen te kunnen voorzien, hetwelk deze aankoop tot argument van onze stelling maakt.
Er zijn evenwel ook in het rapport Seinpost nog meer aanwijzingen te vinden die onze stelling ondersteunen:
Eerlijkheidshalve krijgt het rapport Seinpost op het volgende
punt een pluim van ons: p. 35-36 bespreekt het "gewenste
concentratiemodel". Het schuift - uit wat voorafgaat zéér
voorspelbaar - het V-model naar voren en omschrijft dit als
"bestaande uit de Schippersstraat, (een deel van de)
Vingerlingstraat en de Verversrui." Enkele lijnen verder vat men
deze - terecht - samen als "twee straten". Inderdaad, het nog steeds
aangehouden discours van drie straten verdoezelt de - zeer beperkte
- omvang van het stukje Vingerlingstraat binnen het V-model.
Het bestelde en betaalde beleidsplan wordt niet gevolgd.
De aanbevelingen die de Seinpost studie maakt ten aanzien van het uitvoeren van een elders gemaakte beleidskeuze worden niet gevolgd. Uiteraard moet de bestelde studie worden opgevat als een advies. Daar staat tegenover dat men een adviesstudie enkel als legitimering kan inroepen als dat advies wordt gevolgd.
De studie kan dus zelfs het huidig beleid niet ten volle legitimeren. Zo stelt het Seinpost rapport dat "Vaststelling van het beleid zal dienen plaats te vinden in de gemeenteraad." We stellen vast dat de vaststelling van dat beleid bij hoogdringendheid aan de agenda van de Gemeenteraad van 19 juni 2000 werd toegevoegd, dat de raadsleden de betrokken document derhalve pas laat ontving, dat tijdens die gemeenteraad de raadsleden uitvoerig werden onderhouden over een alternatieve locatie voor een tippelzone, terwijl dan wel werd gevraagd meteen ook het beleid inzake het Schipperskwartier te stemmen.
De 'hoogdringendheid' lijkt ons dan ook meer op een manoeuvre het kritisch en vrij onderzoek door de raadsleden van de voorstellen te ontmoedigen, dan dat het gerechtvaardigd zou zijn. Het rapport Seinpost voorzag de besluitvorming in de gemeenteraad trouwens pas in oktober 1999.(p.65) Temeer omdat (p.23)"(De vaststelling van dat beleid door de gemeenteraad) kan - ons inziens - het beste plaatsvinden nadat alle betrokkenen - conform de vaststelling van de beleidsvisie - hiervan op de hoogte gebracht zijn en hun mening hierover kenbaar gemaakt hebben." (onze accentuering). Wellicht diende de 'hoogdringendheid' om net die werkelijke inspraak te verhinderen.
Deze inspraak van betrokkenen wordt in het rapport Seinpost trouwens nog verschillende keren naar voor geschoven:
We stellen evenwel vast dat Payoke - in augustus 1997 buitengegooid met het opdoeken van STOEP - dergelijk overleg op eigen kracht en op vraag van de 'meest betrokkenen' heeft opgezet in juni 2001, en dit na een herhaaldelijke weigering van de Stad Antwerpen op de vraag vanuit de 'meest betrokkenen' - en zo blijkt ook de Seinpost aanbeveling - dit te doen. De chronologie, aanbevolen door het rapport Seinpost en eigenlijk het best als common sense te omschrijven, wordt niet volledig gevolgd.
Inzake de aanpak van de prostitutie in de Atheneumbuurt (tippelprostitutie) voorziet het rapport 3 fasen: A=bieden van een alternatief, B=repressief optreden, C=stimulering functieverandering gevestigde rendez-vous hotels/huizen. (p.30-31) Wanneer we aannemen dat fase A in tijd dient vooraf te gaan aan fase B - een logische aanname - dan dienen we op te merken dat dit niet strookt met de realiteit. Er is op het ogenblik dat we dit schrijven (december 2001) nog steeds geen alternatief voorhanden, hoewel het repressief optreden al geruime tijd in voegen is!
Of wordt iets anders bedoeld in het Seinpost rapport ? We lezen (p.30) "fase A: bieden van een alternatief: houden van een locatieonderzoek naar een alternatieve tippellocatie voor straatprostitutie." Voor alle duidelijkheid: ons inziens is het houden van een locatieonderzoek niet gelijkwaardig aan het bieden van een alternatief. Daartoe moet het resultaat van het onderzoek ook daadwerkelijk gerealiseerd worden!
In verband met dat locatieonderzoek, en als afsluiter van dit document, een kleine opmerking over de methodiek van dat onderzoek.
Op de themacommissie van 9 juni 2000 werd dat onderzoek voorgesteld. De vertegenwoordigster van Seinpost meldde heel fier dat een lijst met mogelijke locaties voor een alternatieve tippelzone werd opgesteld door middel van een rondvraag bij ambtenaren van de Stad Antwerpen. Leuk, maar eens te meer geeft het blijk van het uitsluiten van de 'meest betrokkenen'. Waarschijnlijk was Seinpost niet op het idee gekomen om ook eens bij prostituees een rondvraag te doen.
Wim Vandekerckhove
|
||||||||||||||||||||||||
|
|
|
|||||||||||||||||||||||||
Copyright © SOS Schipperskwartier 2006