Start Forum Zoeken

Strafwet

Welkom
Nieuws
SOS
Beroep
Buurt
Beleid
Links
Contact

 

Strafwet
Nieuwe gemeentewet
Vervolgingsbeleid

 

Strafwetboek
 

Hoofdstuk VI. [Bederf van de jeugd en prostitutie]

Opschrift vervangen bij art. 4 W. 26 mei 1914 (B.S., 10 juni 1914).

 

Art. 379. [Hij die een aanslag tegen de zeden pleegt doordat hij, ten einde eens anders driften te voldoen, de ontucht, het bederf of de prostitutie van een minderjarige van het mannelijke of vrouwelijke geslacht opwekt, begunstigt of vergemakkelijkt, wordt gestraft met opsluiting en met geldboete van vijfhonderd frank tot vijfentwintigduizend frank. Hij wordt gestraft met dwangarbeid van tien jaar tot vijftien jaar en met geldboete van vijfhonderd frank tot vijftigduizend frank, indien de minderjarige geen volle zestien jaar oud is. De straf is dwangarbeid van vijftien jaar tot twintig jaar en geldboete van duizend frank tot honderdduizend frank, indien de minderjarige geen volle tien jaar oud is.]

Vervangen bij art. 2 W. 13 april 1995 (B.S., 25 april 1995, err., B.S., 17 juni 1995, err., B.S., 6 juli 1995).

Opsluiting wordt vervangen door opsluiting van vijf tot tien jaar (art. 3, twaalfde lid W. 10 juli 1996 (B.S., 1 augustus 1996)); Dwangarbeid van tien tot vijftien jaar wordt vervangen door opsluiting van tien tot vijftien jaar (art. 3, tiende lid W. 10 juli 1996 (B.S., 1 augustus 1996)); Dwangarbeid van vijftien tot twintig jaar wordt vervangen door opsluiting van vijftien tot twintig jaar (art. 3, achtste lid W. 10 juli 1996 (B.S., 1 augustus 1996)).

Vroegere wijzigingen Vervangen bij art. 1 W. 26 mei 1914 (B.S., 10 juni 1914).

 

Art. 380. [...]

Opgeheven bij art. 14, 1° W. 13 april 1995 (B.S., 25 april 1995, err., B.S., 17 juni 1995, err., B.S., 6 juli 1995).

Vroegere wijzigingen Vervangen bij art. 2, I W. 21 augustus 1948 (B.S., 13-14 september 1948).

 

Art. 380bis. [§ 1. Met gevangenisstraf van een jaar tot vijf jaar en met geldboete van vijfhonderd frank tot vijfentwintigduizend frank wordt gestraft: 1° hij die, ten einde eens anders driften te voldoen, een meerderjarige zelfs met zijn toestemming, aanwerft, meeneemt, wegbrengt of bij zich houdt met het oog op het plegen van ontucht of prostitutie; 2° hij die een huis van ontucht of prostitutie houdt; 3° hij die kamers of enige andere ruimte verkoopt, verhuurt of ter beschikking stelt met het oog op prostitutie met de bedoeling een abnormaal profijt te realiseren; 4° hij die, op welke manier ook, eens anders ontucht of prostitutie exploiteert.

§ 2. Poging tot de in § 1 bedoelde misdrijven wordt gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en met geldboete van honderd frank tot vijfduizend frank.

§ 3. Met dwangarbeid van tien jaar tot vijftien jaar en met geldboete van vijfhonderd frank tot vijftigduizend frank wordt gestraft het plegen van de in § 1 bedoelde misdrijven wanneer de dader daarbij: 1° direct of indirect gebruikt maakt van listige kunstgrepen, geweld, bedreigingen of enige andere vorm van dwang; 2° of misbruik maakt van de bijzonder kwetsbare positie waarin een persoon verkeert ten gevolge van een onwettige of precaire administratieve toestand of ten gevolge van zwangerschap, ziekte dan wel een lichamelijk of een geestelijk gebrek of onvolwaardigheid.

§ 4. Met dwangarbeid van tien jaar tot vijftien jaar en met geldboete van duizend frank tot honderdduizend frank wordt gestraft: 1° hij die, ten einde eens anders driften te voldoen, rechtstreeks of via een tussenpersoon, een minderjarige onder de zestien jaar, zelfs met zijn toestemming aanwerft, meeneemt, wegbrengt of bij zich houdt met het oog op het plegen van ontucht of prostitutie; 2° hij die, rechtstreeks of via een tussenpersoon, een huis van ontucht of prostitutie houdt waar minderjarigen prostitutie of ontucht plegen; 3° hij die kamers of enige andere ruimte verkoopt, verhuurt of ter beschikking stelt van een minderjarige met het oog op ontucht of prostitutie met de bedoeling een abnormaal profijt te realiseren; 4° hij die, op welke manier ook, de ontucht of prostitutie van een minderjarige onder de zestien jaar exploiteert.

§ 5. De misdrijven bedoeld in § 4 worden gestraft met dwangarbeid van vijftien jaar tot twintig jaar en met geldboete van duizend frank tot honderdduizend frank als zij ten aanzien van een minderjarige onder de tien jaar worden gepleegd.]

Vervangen bij art. 3 W. 13 april 1995 (B.S., 25 april 1995, err., B.S., 17 juni 1995, err., B.S., 6 juli 1995).

Dwangarbeid van tien tot vijftien jaar wordt vervangen door opsluiting van tien tot vijftien jaar (art. 3, tiende lid W. 10 juli 1996 (B.S., 1 augustus 1996)); Dwangarbeid van vijftien tot twintig jaar wordt vervangen door opsluiting van vijftien tot twintig jaar (art. 3, achtste lid W. 10 juli 1996 (B.S., 1 augustus 1996)).

Vroegere wijzigingen Vervangen bij art. 2, I W. 21 augustus 1948 (B.S., 13-14 september 1948).

 

Art. 380ter. [...]

Opgeheven bij art. 14, 1° W. 13 april 1995 (B.S., 25 april 1995, err., B.S., 17 juni 1995, err., B.S., 6 juli 1995).

Vroegere wijzigingen Vervangen bij art. 2, III W. 21 augustus 1948 (B.S., 13-14 september 1948).

 

[Art. 380quater. Met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met geldboete van zesentwintig frank tot vijfhonderd frank wordt gestraft hij die in een openbare plaats door woorden, gebaren of tekens iemand tot ontucht aanzet. De straf wordt verdubbeld als het misdrijf tegenover een minderjarige wordt gepleegd. [...]]

Ingevoegd bij art. 3 W. 21 augustus 1948 (B.S., 13-14 september 1948) en gewijzigd bij art. 2 W. 27 maart 1995 (B.S., 25 april 1995).

Vroegere wijzigingen Gewijzigd bij art. 14 W. 9 maart 1993 (B.S., 24 april 1993).

 

[Art. 380quinquies. § 1. Met gevangenisstraf van twee maanden tot twee jaar en met geldboete van tweehonderd frank tot tweeduizend frank wordt gestraft hij die op enigerlei wijze, direct of indirect, reclame maakt of doet maken, uitgeeft, verdeeldt of verspreidt voor een aanbod van diensten van seksuele aard met een direct of indirect winstoogmerk, indien die reclame specifiek gericht is op minderjarigen of indien zij gewag maakt van diensten aangeboden door minderjarigen of door personen van wie wordt beweerd dat zij minderjarig zijn, zelfs indien hij zijn aanbod verheelt onder bedekte bewoordingen. Indien de in het eerste lid bedoelde reclame tot doel of tot gevolg heeft, direct of indirect, dat prostitutie of ontucht van een minderjarige of zijn exploitatie voor seksuele doeleinden wordt vergemakkelijkt, is de straf drie maanden tot drie jaar gevangenisstraf en geldboete van driehonderd frank tot drieduizend frank.

§ 2. Met gevangenisstraf van een maand tot een jaar en met geldboete van honderd frank tot duizend frank wordt gestraft hij die op enigerlei wijze, direct of indirect, reclame maakt of doet maken, uitgeeft, verdeelt of verspreidt voor een aanbod van diensten van seksuele aard met een direct of indirect winstoogmerk, die worden verleend bij wege van een of ander telecommunicatiemiddel, zelfs indien hij zijn aanbod verheelt onder bedekte bewoordingen.

§ 3. In de gevallen die niet zijn omschreven in de §§ 1 en 2, wordt gestraft met gevangenisstraf van een maand tot een jaar en met geldboete van honderd frank tot duizend frank, hij die door enig reclamemiddel, zelfs indien hij de aard van zijn aanbod of zijn vraag verheelt onder bedekte bewoordingen, kenbaar maakt dat hij zich aan prostitutie overgeeft, de prostitutie van anderen vergemakkelijkt of wenst in betrekking te komen met iemand die zich aan ontucht overgeeft. Met dezelfde straffen wordt gestraft hij die door enig reclamemiddel aanzet, door de toespeling die erop wordt gemaakt, tot de seksuele exploitatie van minderjarigen of meerderjarigen, of van zulke reclame gebruik maakt naar aanleiding van een aanbod van diensten.]

Ingevoegd bij art. 1 W. 27 maart 1995 (B.S., 25 april 1995).

 

Art. 381. [...]

Opgeheven bij art. 14, 1° W. 13 april 1995 (B.S., 25 april 1995, err., B.S., 17 juni 1995, err., B.S., 6 juli 1995).

Vroegere wijzigingen Vervangen bij art. 1 W. 26 mei 1914 (B.S., 10 juni 1914).

 

[Art. 381bis. De in de artikelen 379 en 380bis, §§ 3 en 4, bedoelde misdrijven worden gestraft met dwangarbeid van vijftien jaar tot twintig jaar en met geldboete van duizend frank tot honderdduizend frank indien ze daden betreffen van deelneming aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging, ongeacht of de schuldige de hoedanigheid van leidend persoon heeft of niet.]

Ingevoegd bij art. 4 W. 13 april 1995 (B.S., 25 april 1995, err., B.S., 17 juni 1995, err., B.S., 6 juli 1995).

Dwangarbeid van vijftien tot twintig jaar wordt vervangen door opsluiting van vijftien tot twintig jaar (art. 3, achtste lid W. 10 juli 1996 (B.S., 1 augustus 1996)).

 

Art. 382. [In de gevallen van [de artikelen 379, [...], 380bis, [...], [...] van dit hoofdstuk], worden de schuldigen bovendien veroordeeld tot ontzetting van de rechten, genoemd in artikel 31, 1°, 3°, 4° en 5°.] [...] [De rechtbanken kunnen tegen de veroordeelden het verbod uitspreken om gedurende een jaar tot drie jaar een drankgelegenheid, een bureau voor arbeidsbemiddeling, een tabakswinkel of winkel van rookartikelen, een caféconcert, een openbare dansinrichting, een massage-inrichting, een manicure-inrichting, hetzij persoonlijk, hetzij door bemiddeling van een zaakvoerder of zaakvoerster, te houden of er, in welke hoedanigheid ook, werkzaam te zijn. Elke overtreding van dit verbod wordt gestraft met gevangenisstraf van een maand tot drie maanden en met geldboete van honderd frank tot duizend frank.][Zonder rekening te houden met de hoedanigheid van natuurlijk persoon of rechtspersoon van de exploitant, eigenaar, huurder of zaakvoerder, kan de rechtbank de sluiting bevelen van de inrichting waar de misdrijven zijn gepleegd, voor een termijn van een maand tot drie jaar te rekenen van de dag waarop de op tegenspraak of bij verstek gewezen veroordeling onherroepelijk is geworden. Elke inbreuk op de beschikking van het vonnis of arrest waarbij de sluiting van de inrichting wordt bevolen, wordt bestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en met geldboete van duizend frank tot vijfduizend frank of met een van die straffen alleen.] [De tijd van het op grond van het vorige lid uitgesproken verbod gaat in op de dag dat de veroordeelde zijn straf heeft ondergaan of dat zijn straf verjaard is, en, in geval van voorwaardelijke vrijlating, op de dag van de voorwaardelijke invrijheidstelling, voor zover deze laatste niet ingetrokken wordt. Bovendien heeft het verbod zijn gevolgen met ingang van de dag waarop de op tegenspraak of bij verstek gewezen veroordeling onherroepelijk is geworden.]

Gewijzigd bij art. 1 W. 26 mei 1914 (B.S., 10 juni 1914), bij art. 4, I W. 21 augustus 1948 (B.S., 13-14 september 1948), bij art. 1 W. 28 juli 1962 (B.S., 5 september 1962), bij art. 90, 2° W. 8 april 1965 (B.S., 15 april 1965) en bij art. 5 W. 13 april 1995 (B.S., 25 april 1995, err., B.S., 17 juni 1995, err., B.S., 6 juli 1995).

 

[Art. 382bis. De bijzondere verbeurdverklaring zoals bedoeld in artikel 42, 1°, kan worden toegepast zelfs wanneer de zaken waarop zij betrekking heeft, niet het eigendom van de veroordeelde zijn.]

Ingevoegd bij art. 6 W. 13 april 1995 houdende bepalingen tot bestrijding van de mensenhandel en van de kinderpornografie (B.S., 25 april 1995, err., B.S., 17 juni 1995, err., B.S., 6 juli 1995).

 

[Art. 382bis. Onverminderd artikel 382 kan elke veroordeling wegens feiten, bedoeld in de artikelen 372 tot 386ter, en gepleegd op de persoon van een minderjarige van minder dan zestien jaar of met zijn deelneming, de ontzetting meebrengen van het recht om, voor een termijn van 1 tot 20 jaar: a) in welke hoedanigheid ook, deel te nemen aan onderwijs in een openbare of particuliere instelling die minderjarigen opvangt; b) deel uit te maken, als vrijwilliger, als lid van het statutair of contractueel personeel of als lid van de organen van bestuur en beheer, van elke instelling of vereniging waarvan de activiteit in hoofdzaak op minderjarigen gericht is. Dit verbod wordt toegepast overeenkomstig artikel 382, derde en vierde lid.] 

Ingevoegd bij art. 3 W. 13 april 1995 betreffende seksueel misbruik ten aanzien van minderjarigen (B.S., 25 april 1995, err., B.S., 17 juni 1995, err., B.S., 6 juli 1995).

 

 

Hoofdstuk VII. Openbare schennis van de goede zeden

 

Art. 383. Hij die liederen, vlugschriften of andere geschriften, al dan niet gedrukt, afbeeldingen of prenten, die strijdig zijn met de goede zeden, tentoonstelt, verkoopt of verspreidt, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met geldboete van zesentwintig frank tot vijfhonderd frank. [Met dezelfde straffen wordt gestraft hij die schunnigheden zingt, leest, voordraagt, ten gehore brengt of uit, in de openbare bijeenkomsten of plaatsen bedoeld in artikel 444, tweede lid.] [Met dezelfde straffen wordt gestraft: Hij die, met het oog op de handel of de verspreiding, liederen, vlugschriften, geschriften, afbeeldingen of prenten, die strijdig zijn met de goede zeden, vervaardigt, in voorraad heeft, invoert of doet invoeren, vervoert of doet vervoeren, aan een vervoer- of een distributieagent overhandigt, door enig publiciteitsmiddel bekendmaakt; Hij die zinnebeelden of voorwerpen, die strijdig zijn met de goede zeden, tentoonstelt, verkoopt of verspreidt, ze met het oog op de handel of de verspreiding vervaardigt of in voorraad heeft, invoert of doet invoeren, vervoert of doet vervoeren, aan een vervoer- of een distributieagent overhandigt, door enig publiciteitsmiddel bekendmaakt]; [Hij die, hetzij door het tentoonstellen, verkopen of verspreiden van geschriften, al dan niet gedrukt, hetzij door enig ander publiciteitsmiddel, het gebruik van enig middel om vruchtafdrijving te veroorzaken aanprijst, aanwijzingen verstrekt omtrent de wijze waarop het wordt aangeschaft of gebruikt, of personen die het toepassen, doet kennen met het doel hen aan te bevelen; Hij die artsenijen of tuigen, speciaal bestemd om vruchtafdrijving te veroorzaken of als zodanig voorgesteld, tentoonstelt, verkoopt, verspreidt, vervaardigt of doet vervaardigen, doet invoeren, doet vervoeren, aan een vervoer- of een distributieagent overhandigt, door enig publiciteitsmiddel bekendmaakt;] [...]

Gewijzigd bij art. 1 W. 29 januari 1905 (B.S., 4 februari 1905), bij art. 1 W. 20 juni 1923 (B.S., 25-28 juni 1923), bij art. 1 W. 14 juni 1926 (B.S., 21-22 juni 1926) en bij enig art. W. 9 juli 1973 (B.S., 9 augustus 1973).

 

[Art. 383bis. § 1. Onverminderd de toepassing van de artikelen 379 en 380bis wordt hij die zinnebeelden, voorwerpen, films, foto's, dia's of andere beelddragers die houdingen of seksuele handelingen met pornografisch karakter voorstellen waarbij minderjarigen beneden de zestien jaar betrokken zijn of worden voorgesteld, tentoonstelt, verkoopt, verhuurt, verspreidt of overhandigt, ze met het oog op de handel of de verspreiding vervaardigt of in voorraad heeft, invoert of doet invoeren, aan een vervoer- of een distributieagent overhandigt, gestraft met opsluiting en met geldboete van vijfhonderd frank tot tienduizend frank.

§ 2. Hij die wetens de in § 1 bedoelde zinnebeelden, voorwerpen, films, foto's, dia's of andere beelddragers bezit, wordt gestraft met gevangenisstraf van een maand tot een jaar en met geldboete van honderd frank tot duizend frank.

§ 3. Het in § 1 bedoelde misdrijf wordt gestraft met dwangarbeid van tien jaar tot vijftien jaar en met geldboete van vijfhonderd frank tot vijftigduizend frank indien het een daad van deelneming aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging betreft, ongeacht of de schuldige de hoedanigheid van leidend persoon heeft of niet.

§ 4. De bijzondere verbeurdverklaring zoals bedoeld in artikel 42, 1°, kan worden toegepast voor de misdrijven bedoeld in de §§ 1 en 2, zelfs wanneer de zaken waarop zij betrekking heeft, niet het eigendom van de veroordeelde zijn.

§ 5. Artikel 382 is van toepassing op de in §§ 1 en 3 bedoelde misdrijven.]

Ingevoegd bij art. 7 W. 13 april 1995 (B.S., 25 april 1995, err., B.S., 17 juni 1995, err., B.S., 6 juli 1995).

Opsluiting wordt vervangen door opsluiting van vijf tot tien jaar (art. 3, twaalfde lid W. 10 juli 1996 (B.S., 1 augustus 1996)).

 

Art. 384. [In het geval van het vorige artikel wordt de vervaardiger van het geschrift, de afbeelding, de prent of het voorwerp gestraft met gevangenisstraf van een maand tot een jaar en met geldboete van vijftig frank tot duizend frank.]

 

Vervangen bij art. 2 W. 14 juni 1926 (B.S., 21-22 juni 1926).

Art. 385. Hij die in het openbaar de zeden schendt door handelingen die de eerbaarheid kwetsen, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot vijfhonderd frank. [Wordt de schennis gepleegd in tegenwoordigheid van een kind beneden de volle leeftijd van zestien jaar, dan is de straf gevangenisstraf van een maand tot drie jaar en geldboete van honderd frank tot duizend frank.]

 

Gewijzigd bij art. 53 W. 15 mei 1912 (B.S., 27-29 mei 1912).

Art. 386. [Indien de misdrijven, omschreven in artikel 383, zijn gepleegd tegenover minderjarigen, is de gevangenisstraf zes maanden tot twee jaar en de geldboete duizend frank tot vijfduizend frank. In hetzelfde geval kunnen de straffen, bepaald in het eerste lid van dat artikel, worden verdubbeld, onverminderd de toepassing van artikel 385, tweede lid.]

 

Vervangen bij art. 2 W. 28 juli 1962 (B.S., 5 september 1962).

Art. 386bis. [Met gevangenisstraf van zes maanden tot twee jaar en met geldboete van duizend frank tot vijfduizend frank wordt gestraft hij die aan minderjarigen beneden achttien jaar oneerbare prenten, afbeeldingen of voorwerpen die hun verbeelding kunnen prikkelen, verkoopt of uitdeelt, of dergelijke prenten, afbeeldingen of voorwerpen op of aan de openbare weg tentoonstelt. De tentoongestelde, te koop geboden of uit te delen prenten, afbeeldingen en voorwerpen worden door ieder officier van gerechtelijke politie, op last van de vrederechter of de politierechter van het kanton, in beslag genomen en de verbeurdverklaring ervan wordt in geval van veroordeling altijd uitgesproken.]

Vervangen bij art. 2 W. 28 juli 1962 (B.S., 5 september 1962).

 

[Art. 386ter. In de gevallen, in dit hoofdstuk omschreven, kunnen de schuldigen bovendien worden veroordeeld tot ontzetting van de rechten, genoemd in artikel 31, 1°, 3°, 4° en 5°. In geval van veroordeling op grond van artikel 386, eerste lid, of artikel 386bis en indien het misdrijf gepleegd is bij het exploiteren van een boekhandel, een antiquariaat, een handel in fotoartikelen of een onderneming van vertoningen, kan de sluiting van de inrichting worden bevolen voor een maand tot drie maanden. In geval van een tweede veroordeling wegens een der in het vorige lid bedoelde feiten, gepleegd binnen een termijn van drie jaar na de eerste veroordeling, kan de sluiting worden bevolen voor drie maanden tot zes maanden. In geval van een derde veroordeling wegens dezelfde feiten, gepleegd binnen een termijn van vijf jaar na de tweede veroordeling, kan definitieve sluiting worden bevolen. In dit laatste geval kunnen de hoven en rechtbanken bovendien tegen de veroordeelden het verbod uitspreken om een boekhandel, een antiquariaat, een handel in fotoartikelen, een onderneming van vertoningen of een of meer handelszaken of ondernemingen als hier bedoeld, hetzij persoonlijk, hetzij door bemiddeling van een zaakvoerder of zaakvoerster, te exploiteren of er, in welke hoedanigheid ook, werkzaam te zijn. De tijd van de sluiting en van het verbod in het vonnis of arrest van veroordeling bepaald, gaat in op de dag dat de veroordeelde zijn straf heeft ondergaan of dat zijn straf verjaard is, en, in geval van voorwaardelijke vrijlating, op de dag van de voorwaardelijke invrijheidstelling, voor zover deze laatste niet ingetrokken wordt. Bovendien hebben de sluiting en het verbod hun gevolgen met ingang van de dag waarop de op tegenspraak of bij verstek gewezen veroordeling onherroepelijk is geworden. Inbreuk op de beschikking van het vonnis of het arrest waarbij de sluiting of het verbod, als bedoeld in het vorige lid, wordt bevolen of opgelegd, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met geldboete van zesentwintig frank tot duizend frank of met een van die straffen alleen.]

Ingevoegd bij art. 3 W. 28 juli 1962 (B.S., 5 september 1962).

 

 

 

 

 

 Start Omhoog Volgende

 

Copyright © SOS Schipperskwartier 2006