Start Forum Zoeken

Beelden prostituees

Welkom
Nieuws
SOS
Beroep
Buurt
Beleid
Links
Contact

 

Manifest gelijke rechten
Verzegeling pand
Oproep Ketelpatrouille
Bordello
Migratie - moderniteit
Beelden prostituees
Senaat mensenhandel
Mensenhandel 2000
Prostitutie FAQ 1
Prostitutie FAQ 2
AWP Meeting 1997
Charter 1985

 

Beelden van prostituées


De discursieve strijd om de subjectpositie
Nico Carpentier
 

horizontal rule

Inhoud

 
1. Inleiding
2. Methodologie
2.1 krantenartikels verschenen van januari 1995 tot juni 1996
2.2 beperkte bevraging journalisten
2.3 bevraging van de Antwerpse prostituees
3. Vijf Vlaamse kranten over prostitutie
3.1 de voorkeur voor onderwerpen uit de juridische en politionele sfeer
3.2 wie komt aan het woord?
3.3 koosnamen en koosnaampjes voor prostituees
4. Besluit van de inhoudsanalyse
5. Prostituees en zelforganisatie
5.1 belemmeringen voor groepsvorming
5.2 gemeenschappelijke kenmerken en elementen voor groepsvorming
5.3 een zelforganisatie?
6. Besluit

horizontal rule

1. Inleiding

Prostitutie is een sociaal fenomeen met vele gezichten, en wordt op sociaal vlak vanuit een hele reeks invalshoeken benaderd: Zo onderscheidt Van Mens vijf verschillende invalshoeken in het debat over prostitutie: de prostitutie als zonde, als bron van wanorde en overlast, als bron van ziekten, als deviant gedrag en als 'uitvloeier van ongelijke sekseverhoudingen.' (Van Mens, 1992, p. 91) Deze verschillende invalshoeken leiden tot een discours over de prostituée1 dat gekenmerkt wordt door een lange aaneenschakeling van negatieve identiteiten: de prostituée wordt (in meer of mindere mate) gezien als zondaar, als echtbreekster, als verleidster, als een moreel verderfelijk persoon, als crimineel, als verslaafde, als rustverstoorder, als oorzaak van maatschappelijke destabilisatie, als infectiebron, als gestoorde vrouw, als deviant persoon, als nymfomaan, als een frigide vrouw, als lesbische vrouw, als (lust)object, als onderdrukte vrouw, als slachtoffer, enzovoort.

Vanwesenbeek wijst er wel op dat - zonder de gedwongen prostitutie uit het oog te verliezen - deze negatieve identiteit van de prostituée genuanceerd dient te worden. Volgens deze auteur kan 'sekswerk' een mogelijkheid zijn tot financiële, seksuele en emotionele bevrijding van vrouwen. Niet enkel armoede kan een reden zijn om in de prostitutie te gaan, maar ook het streven naar onafhankelijkheid, financiële autonomie of seksuele zelfbepaling. Prostituées kunnen volgens deze visie ook gezien worden als subjecten, en niet louter als objecten. (Vanwesenbeek, 1991) Getuigen van een dergelijke emancipatiebeweging zijn de verschillende (zelf-) organisaties van (en met) prostituées die - 'voor het eerst in de lange geschiedenis van de prostitutie' (Van Mens, 1992, p. 92) - in de jaren '70 zijn ontstaan:

bullet Call Off Your Old Tired Ethics (Coyote) in 1973 in de US (Weitzer, 1991)
bullet English Collective of Prostitutes (ECP) in 1975 in het UK (English Collective of Prostitutes, 1997)
bullet Canadian Organization for the Rights of Prostitutes (CORP) in 1983 (Commercial Sex Information Service, 1998)
bullet Australian Prostitutes Collective (APC) in 1983 (Prostitutes Collective of Victoria, 1998)
bullet Rode Draad in 1985 in Nederland (Van Mens, 1992)
bullet Sex Workers' Alliance of Toronto (SWAT) in 1992 in Canada (Commercial Sex Information Service, 1998)
bullet Coalition on Prostitution in 1992 in de US (Coalition on Prostitution, 1996)
bullet Sex Workers' Alliance of Vancouver (SWAV) in 1994 in Canada (Sex Workers Alliance of Vancouver, 1998)
bullet International Sex Worker Foundation for Art, Culture and Education (ISWFACE (uitgesproken als 'ice face')) in 1997 in de US (Iswface, 1998)
bullet Prostitutes Of New York (PONY) in de US (Commercial Sex Information Service, 1998)
bullet US PROStitutes Collective
bullet Hooking Is Real Employment (HIRE) in Atlanta/US

 

Deze organisaties proberen te breken met de hegemonie van de hierboven beschreven negatieve benadering van prostitutie, en plaatsen daar tegenover de positieve identiteit van de autonome, onafhankelijke en mondige prostituée.

De hierna volgende tekst bestaat uit twee delen: in een eerste deel wordt nagegaan in welke mate deze twee antagonistische identiteiten in de Vlaamse pers terug te vinden zijn, hierbij steunend op de discourstheorie van Laclau en Mouffe. (Laclau, 1985)

Laclau en Mouffe stellen in hun theorie dat sociale fenomenen pas hun betekenis en identiteit verkrijgen binnen een discours, dat gedefinieerd wordt als 'a structure in which meaning is constantly negotiated and constructed.' (Laclau, 1988, p. 254) Discours zijn bijgevolg niet vast en gefixeerd, maar kunnen geherdefinieerd of gere-articuleerd worden. Een discours is in de discourstheorie van Laclau en Mouffe nooit veilig voor elementen vreemd aan dat discours. Er is steeds een surplus, een overschot aan elementen. Dit surplus noemen Laclau en Mouffe het 'field of discursivity'. (Laclau, 1985, p.112) Binnen dit veld strijden verschillende discours om de dominantie te verwerven.

Discours zijn ook gedeeltelijk gefixeerd, de overvloed aan betekenis zou anders elke betekenis onmogelijk maken. Deze punten waar het discours wel (gedeeltelijk) gefixeerd is, noemen Laclau en Mouffe 'nodal points' of knooppunten, naar analogie van het concept 'points de capiton' van Lacan. Deze knooppunten zijn geprivilegieerde betekenaars die de betekenis van een keten van betekenis vastleggen. (Laclau, 1985, p.112)

Media spelen in de constructie van betekenis en van de sociale realiteit een specifieke rol. Ze weerspiegelen de bestaande maatschappelijke discours, die ze aan hun lezers, kijkers of luisteraars aanbieden, waarbij bepaalde betekenissen en identiteiten meer of minder aan bod (kunnen of mogen) komen en hierdoor versterkt of afgezwakt zullen worden. Het is hierbij wel belangrijk op te merken dat de lezers, kijkers of luisteraars van media - door de interpretaties die ze zelf geven - ook een bijdrage leveren in de constructie van de eigen sociale realiteit, in interactie met de symbolische constructies die de media leveren. Zij zijn dus niet weerloos overgeleverd aan de media. (McQuail, 1987, p. 331)

In dit eerste deel wordt niet alleen belang gehecht aan de manier waarop prostituées in de media komen, maar ook aan de mate waarin zij zelf en de hulpverleningsorganisaties en zaakwaarnemers - potentiële spreekbuizen voor prostituées - in de media, met name de geschreven pers, aanwezig zijn. Eén van de uitgangspunten van deze tekst is namelijk dat niet alleen journalisten verantwoordelijk zijn voor de manier waarop prostituées in de media komen. Het is niet de bedoeling de zoveelste jammerklacht over het wangedrag van de media te lanceren. Juist om deze reden wordt dit eerste deel besloten met een warm pleidooi voor een Vlaamse of Belgische zelforganisatie voor prostituées. Een dergelijke zelforganisatie kan niet alleen - zoals ook Weitzer over Coyote opmerkt (Weitzer, 1991, p. 36) - een belangrijke bijdrage leveren in de constructie van een positieve identiteit bij prostituées zelf, maar tegelijk ook een rol spelen in de betekenisconstructie op massamediaal niveau en in de strijd om het dominante discours. Dit pleidooi ontslaat de bestaande hulpverleners en zaakwaarnemers natuurlijk niet van hun verantwoordelijkheid om ook gevoelig te blijven voor deze discursieve strijd.

In het tweede deel van deze tekst worden de ontstaansmogelijkheden en -moeilijkheden van een dergelijke Vlaamse of Belgische zelforganisatie of een zogenaamde 'prostitutievakbond' geschetst, op basis van een bevraging van Antwerpse prostituées in 1996. Op deze manier kunnen ook prostituées - weliswaar op een zeer bescheiden en beperkte manier - in deze bijdrage aan het woord komen.

 

2. Methodologie

De basis van deze tekst wordt geleverd door een onderzoek dat in 1996 van start ging aan het departement politieke en sociale wetenschappen van de UIA2 in opdracht van de vzw Payoke. (Carpentier, 1997) Dit onderzoek had als oorspronkelijke bedoeling een bevraging bij de Antwerpse prostituées te organiseren, om ten eerste een profiel van die Antwerpse prostituées op te stellen, en om ten tweede te peilen naar de standpunten van de bevraagde prostituées inzake een aantal thema's zoals de legalisatie van het beroep, het oprichten van een prostitutievakbond, het instellen van een gedoogzone, vrouwenhandel, het bouwen van eroscentra en hun houding ten opzichte van politie en gerecht (zie 2.3). De hierboven geschetste bevraging werd aangevuld met een aantal diepte-interviews met prostituées en een literatuuronderzoek.

Deze oorspronkelijke doelstelling werd uitgebreid met een tweede luik dat bestond uit een inhoudsanalyse van de Vlaamse pers in de periode 1995-1996. De bedoeling hiervan was om op deze manier de beeldvorming over de prostituées te kunnen analyseren (zie 2.1). Deze inhoudsanalyse werd aangevuld met een beperkte bevraging van de journalisten die deze artikels hadden geschreven (zie 2.2)

2.1 Krantenartikels verschenen van januari 1995 tot juni 1996

Voor de inhoudsanalyse van prostitutie-krantenartikels - verschenen in de periode van januari 1995 tot juni 1996 - werd een beroep gedaan op het krantenarchief van Payoke. Dat archief bevatte voor deze periode 349 krantenartikels over prostitutie uit de belangrijkste Vlaamse kranten, namelijk Het Laatste Nieuws, De Nieuwe Gazet, De Gazet van Antwerpen, De Standaard, De Morgen, Het Volk en Het Nieuwsblad. Ook enkele artikels uit Humo en radio- en televisieprogramma's maakten deel uit van het Payoke-archief. De artikels van De Nieuwe Gazet, De Gazet Van Antwerpen, De Morgen, Het Volk en Het Nieuwsblad bleken het meest volledig te zijn. Om deze reden werd dan ook besloten 319 artikels van deze 5 kranten te selecteren voor de inhoudsanalyse. De intercodeur-betrouwbaarheid bedraagt 86.4.

 

Tabel 1: De geanalyseerde artikels

 

 

De Morgen

Gazet van Antwerpen

Het Volk

Het Nieuwsblad

De Nieuwe Gazet

Totaal

 

#

#

#

#

#

#

Jan ‘95

1

0

0

0

0

1

Feb ‘95

0

0

0

0

0

0

Maa ‘95

1

3

0

0

2

6

Apr ‘95

3

7

1

2

6

19

Mei ‘95

7

12

2

2

4

27

Juni ‘95

11

8

0

0

16

35

Juli ‘95

13

8

8

1

7

37

Aug ‘95

0

0

0

0

0

0

Sept ‘95

1

0

0

0

0

1

Okt ‘95

1

2

0

0

0

3

Nov ‘95

3

0

1

1

1

6

Dec ‘95

3

6

5

5

2

21

Jan ‘96

3

7

2

5

3

20

Feb ‘96

2

8

6

2

8

26

Maa ‘96

5

9

2

7

13

36

Apr ‘96

4

7

4

5

5

25

Mei ‘96

4

9

2

3

5

23

Juni ‘96

3

8

6

8

3

28

Zonder datum

2

3

0

0

0

5

Totaal

67

97

39

41

75

319

 

Een opmerking die onmiddellijk bij deze tabel gemaakt kan worden is dat vooral tijdens de zomermaanden over het onderwerp prostitutie geschreven wordt.

2.2 Beperkte bevraging van de betrokken journalisten

Op basis van de 319 geselecteerde artikels werden alle namen (en afkortingen van namen) van journalisten die in de artikels voorkwamen geïnventariseerd. 58 journalisten, die in de onderzoeksperiode tenminste één artikel in verband met prostitutie geschreven hadden, werden vervolgens schriftelijk gecontacteerd met het verzoek een half-gestructureerde vragenlijst in te vullen.

Deze vragenlijst bestond uit drie delen. In een eerste deel werd (door middel van 3 gesloten, 2 half-open en 4 open vragen) basisinformatie gevraagd zodat een profiel van de journalisten in kwestie kon worden samengesteld. Daarnaast werden een aantal (11 gesloten en 4 open) opinievragen gesteld in verband met de thema's die ook aan bod kwamen in de enquête bij de prostituées. Tenslotte werd een aantal (14 gesloten en 9 open) vragen gesteld in verband met de werkwijze van de journalisten.

 

Tabel 2: Respons bevraging journalisten

Krant

Aantal

De Morgen

14

De Gazet van Antwerpen

24

Het Volk

10

Het Nieuwsblad

11

De Nieuwe Gazet

7

Aantal vragenlijsten verstuurd

66

Aantal journalisten gecontacteerd

58

Respons

10

 

Krant

Aantal

De Morgen

2

De Gazet van Antwerpen

2

Het Volk

2

Het Nieuwsblad

3

De Nieuwe Gazet

2

Het Laatste Nieuws

2

De Standaard

2

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De respons van dit deelonderzoek lag zoals verwacht kon worden, laag. Journalisten zijn net zoals prostituées een moeilijk bevraagbare doelgroep: 10 journalisten stuurden hun vragenlijst tijdig terug. De resultaten van deze bevraging kunnen bijgevolg alleen maar indicatief en illustratief geïnterpreteerd worden. Van enige representativiteit kan geen sprake zijn.

Van de 10 journalisten werken er 5 voor één krant. De andere vijf werken voor twee kranten. De grootste groep zijn de drie journalisten die voor Het Nieuwsblad werken; de andere kranten zijn steeds vertegenwoordigd door twee journalisten. Doordat twee journalisten tegelijk voor Het Nieuwsblad en De Standaard werken, en twee journalisten voor zowel De Nieuwe Gazet en Het Laatste Nieuws schrijven, is er ook (beperkte) informatie over deze kranten beschikbaar.

Bij de 10 journalisten bestaat er een jonge en een oude groep: de eerste groep telt zes journalisten, met een gemiddelde leeftijd van 30 jaar, terwijl de andere vier journalisten een gemiddelde leeftijd hebben van

50 jaar. Acht van de 10 journalisten van zijn van het mannelijk geslacht, en geen van hen werkte in de periode 1995-1996 als freelance journalist. Twee van de tien journalisten schreven in de periode 95-96 wekelijks over prostitutie, 6 schreven maandelijks en 1 journalist jaarlijks over dit onderwerp4.

 

2.3 Bevraging van de Antwerpse prostituees

In de enquête bij de prostituées werd gebruik gemaakt van gesloten en half-open vragen. Deze enquêtes werden in april en mei 1996 via face-to-face interviews afgenomen op basis van een naamloze adressenlijst die door Payoke tijdens haar contacten in de sector verzameld werd. Het ging om 332 adressen met 590 kamers. 181 adressen met gezamenlijk 349 kamers bleken opspoorbaar, wat 83 volledige interviews opleverde.

 

Tabel 4: Verloop van de contacten

#

beschikbare informatie

op basis van

# verlies

Reden

590

adres

 

141

fouten in adressenlijst

349

basisinformatie over de huisvesting vragenlijst in te vullen door de interviewer (deel 1)

84

niet te contacteren ('niemand thuis')

265

basisinformatie over de prostituée vragenlijst in te vullen door de interviewer (deel 2)

164

weigering om de vragenlijst te beantwoorden

101

8 basisvragen vragenlijst in te vullen door prostituée of weigeringsvragenlijst

18

alleen de weigeringsvragenlijst willen beantwoorden

83

volledige vragenlijst vragenlijst in te vullen door prostituée

10

prostituees

73

volledige vragenlijst vragenlijst in te vullen door prostituée

-

-

De steekproef werd niet alleen bepaald door de beschikbare adressen, maar ook door het tijdstip van interviewen. Doordat de prostituées in verschillende shiften werken op hetzelfde adres, bekomt men vanzelf een steekproef die bepaald wordt door het tijdstip van aanbellen. Bovendien bleken straat- en raamprostituées veel makkelijker te bereiken. Zij domineren dan ook de steekproef, wat waarschijnlijk de meest ernstige vertekening oplevert. Van der Poel wijst namelijk op het gevaar om de resultaten van de analyse van specifieke subpopulaties uit de prostitutiewereld te veralgemenen:

'[...] de straatprostituées [zijn] doorgaans oververtegenwoordigd en onder hen zijn relatief veel drugverslaafden en minderjarigen. Men generaliseert de resultaten van zulk onderzoek voor de hele beroepsgroep en zodoende niet zelden tot de slotsom dat prostitutie het product is van persoonlijkheidsstoornissen, dwang en behoeftige omstandigheden.' (Van der Poel, 1994, p. 54)

De gestructureerde vragenlijst bestond uit 3 delen. In het eerste deel werden vragen gesteld over sociaal-demografische achtergrond, gezondheid en inkomen. Dit eerste deel diende om het profiel van de prostituées te kunnen opmaken. In het tweede deel werden de zogenaamde 'hete hangijzers' behandeld met vragen over legalisatie, prostitutievakbond, gedoogzone, vrouwenhandel, eroscentra en politie/gerecht. Het derde deel van de gestructureerde vragenlijst moest door de interviewer zelf worden ingevuld. Het gaat hier om informatie die de interviewer zelf kan bekomen zonder dat er expliciet naar gevraagd moet worden (bijvoorbeeld geslacht of grootte van de kamer). Deze werkwijze werd gebruikt om de duur van het eigenlijke interview te beperken.

 

3. Vijf Vlaamse kranten over prostitutie

3.1 De voorkeur voor onderwerpen uit de juridische en politionele sfeer

Een eerste conclusie van de inhoudsanalyse van de krantenartikels is dat onderwerpen uit de juridische en politionele sfeer dominant zijn. Meer dan de helft van de gecodeerde fragmenten handelen over de juridische bestraffing van vrouwenhandelaars en pooiers, over prostituées die illegaal in België verblijven, over politierazzia's in het 'prostitutiemilieu', over geweld tegen prostituées en over crimineel gedrag van prostituées (zoals diefstal en druggebruik).

 

Tabel 5: Overzichtstabel van het voorkomen van de hoofdthema’s

Thema's

Vermeldingen

 

Aantal

%

Juridisch / Criminaliteit / Ordehandhaving

683

55.6

Economisch

25

2.0

Politiek / Ruimtelijke ordening

255

20.8

Sociaal

266

21.6

Totaal

1229

100.0

 

Het beeld van de prostituée dat in deze artikels gehanteerd wordt, is dat van het slachtoffer. In de gevallen waar prostituées niet als slachtoffer geportretteerd worden en meer in een subjectpositie terechtkomen, is er vaak de verwijzing naar hun daderschap gekoppeld aan een morele veroordeling. Zo is er het verhaal van een prostituée die zelf geld uit de portemonnee van haar klant mag nemen, omdat de klant gehandicapt is en zijn armen niet kan gebruiken. Maar in plaats van dat te doen gaat ze er met zijn hele bezit vandoor. (Gazet Van Antwerpen, 26 januari 1996)

Naast de dominante juridische en politionele invalshoek is er ook aandacht voor de politieke aspecten van prostitutie. Het politieke aspect wordt hoofdzakelijk ingevuld door een debat over gedoogzones, door de beschrijving van het afschrikkingsbeleid van overheid én buurtbewoners en door de discussie over een nieuw Antwerps eroscentrum. De prostituées zelf komen hier zelden aan bod, tenzij het gaat over de hinder die ze voor de buurt veroorzaken.

Het derde belangrijke domein is de sociale invalshoek. Belangrijk is hier de klemtoon op gezondheid, illegaliteit, armoede (vaak gekoppeld aan illegaliteit) en de beleidseffecten. In het geval van het gezondheidsaspect wordt verwezen naar de prostituée als potentiële infectiebron voor Aids en andere soa's. Wel moet hierbij opgemerkt worden dat het Gents epidemiologisch research-project - waarover ongeveer van de helft artikels gaat - wijst op de zeer lage prevalentie van Aids bij de 350 onderzochte prostituées. De artikels rond de thema's illegaliteit, armoede en beleidseffecten plaatsen de prostituées opnieuw in een slachtofferrol: in de eerste twee gevallen (illegaliteit en armoede) zijn zij slachtoffer van vrouwenhandel of van de plaatselijke economische situatie, in het derde geval (beleidseffecten) zijn ze het slachtoffer van hardhandig politieoptreden of van het wegblijven van de klanten ten gevolge van het afschrikkingsbeleid. Wanneer de slachtofferrol minder sterk is, worden zij vaak als (illegale) gelukszoekers geportretteerd, hetgeen ook niet vrij is van negatieve connotaties.

Als de 10 journalisten gevraagd wordt naar de aanleiding van hun artikels verwijzen naar onderwerpen die in de actualiteit zijn of naar nieuwe feiten. Ze volgen hierbij de klassieke criteria van nieuwsselectie (Servaes, 1992). Eén van de journalisten beantwoordt de vraag als volgt:

'Meestal een nieuw feit in de prostitutiebuurten, bijvoorbeeld een razzia, de bouw van een eroscentrum, een gewelddaad.''

6 journalisten verwijzen naar nieuwe feiten, 3 naar de algemene actualiteit. Van de 6 journalisten die naar nieuwe feiten verwijzen, vermelden 5 journalisten dat het vooral feiten betreft uit de juridische en politionele sfeer, zoals incidenten, gewelddaden, razzia's, gerechtelijke verslagen en rechtbankprocedures.

Als de journalisten gevraagd wordt welke invalshoeken het meest aan bod komen in hun krant, wijzen drie journalisten op de diversiteit van de behandelde onderwerpen. Daarnaast geven de meesten een opsomming van de behandelde invalshoeken. Als de categorieën van de geanalyseerde artikels gebruikt worden, valt ook hier het overwicht van de juridische en politionele thema's op. Wel is het aandeel van de eerder sociale thema's naar verhouding groter.

 

Tabel 6: Invalshoeken

Thema's

Aantal vermeldingen

Juridisch / Criminaliteit / Ordehandhaving

10

Economisch

0

Politiek / Ruimtelijke ordening

1

Sociaal

7

Totaal

18

 

3.2 Wie komt aan het woord?

In deze analyse is vertrokken van de vraag op welke manier en in welke mate de verschillende actoren in de geanalyseerde artikels aan het woord komen. In deze analyse onderscheiden we drie vormen waarop personen of organisaties aan het woord komen: citaten, parafraseringen en beschrijvingen van een standpunt.

bullet In een citaat worden de woorden van de bron letterlijk en met aanhalingstekens weergegeven - of wordt de illusie gewekt dat de woorden van deze persoon letterlijk weergegeven worden. Tegelijk wordt de bron duidelijk vermeld.
bullet In een parafrasering wordt de uitspraak van de bron minder letterlijk (en zonder aanhalingstekens) weergegeven, maar wordt de specifieke bron nog wel vermeld.
bullet In de beschrijving van een standpunt wordt de uitspraak niet letterlijk weergegeven, en wordt niet verwezen naar een specifieke bron, maar wel naar een geheel van actoren. Terwijl de eerste twee methoden mogelijk de anonimiteit van een bron in gevaar kunnen brengen, stelt dit probleem zich in dit geval niet.

Deze drie vormen van participatie aan de berichtgeving worden in deze analyse als actief gedefinieerd omdat de standpunten van deze groepen of individuen (relatief) rechtstreeks in de krantenartikels terug te vinden zijn. Daarnaast wordt er in de analyse een vierde vorm van participatie betrokken:

bullet De mate waarin een actor of een groep deelneemt aan een gebeurtenis, zonder zelf aan het woord te komen. In deze laatste categorie is de participatie dus passief: de journalist schrijft over de actor, zonder dat zijn of haar standpunt in het artikels terug te vinden is.

In de analyse van de personen die aan het woord komen, moet op het overwicht van de actoren uit de juridische en politionele sfeer gewezen worden, zowel op actief als op passief vlak. In slechts ongeveer 10% van de gevallen komen de betrokkenen (een verzamelterm voor prostituées, klanten en pooiers) aan het woord of wordt hun standpunt weergegeven. De oproep die Vandervorst in 1994 deed ('Als er stemmen over hoeren klinken, laat het dan stemmen van hoeren zijn' (Vandervorst, 1994, p. 102)) is dus nog verre van ingelost. Alleen hulpverleners en zaakwaarnemers komen nog minder aan bod.

 

Tabel 7: De vier analyse-categorieën naar type actoren, in %

Type actoren

Actief

Passief

 

Citaten

Parafrasering

Beschrijving standpunt

Beschrijving gebeurtenis

Ordehandhaving en juridische sfeer

28.9

33.1

35.2

32.2

Politieke actoren

9.5

6.0

14.8

10.4

Experten

14.6

12.3

11.1

5.7

Zakenlui

11.7

14.3

4.9

6.0

Hulpverleners en zaakwaarnemers

9.5

4.0

3.7

4.4

Buurtbewoners

11.9

19.5

17.9

6.7

Betrokkenen

11.2

8.8

8.0

32.9

Andere actoren

2.8

2.0

4.3

1.7

 

N=411

N=251

N=162

N=298

Het tekort aan actieve aanwezigheid van prostituées in de berichtgeving wordt nog schrijnender als gelet wordt op de mate waarin over hen geschreven wordt. In bijna één derde van de fragmenten waar over een actor geschreven wordt - zonder naar zijn of haar standpunt te verwijzen - gaat het over de betrokkenen. In tegenstelling tot de actoren uit de juridische en politionele sfeer is er geen evenwicht tussen actieve en passieve aanwezigheid in de berichtgeving, maar een zwaar overwicht van passieve aanwezigheid.

Als de 10 journalisten gevraagd wordt wie ze in verband met prostitutie ooit geïnterviewd hebben, blijken bijna alle categorieën erg hoog te scoren: juridische actoren en betrokkenen scoren het hoogste met 9 van de 10 journalisten die ooit een interview met deze groepen hebben gedaan; hulpverleners, zaakwaarnemers en experten komen op de tweede plaats met acht vermeldingen, en politieke actoren en buurtbewoners komen op de derde plaats met zeven vermeldingen. Het andere uiterste wordt gevormd door de zakenlui, die door niemand werden geïnterviewd.

 

Tabel 8: Ooit een interview gedaan met actoren

Actoren

Aantal ja

Ordehandhaving en juridische sfeer

9

Politieke actoren

7

Experten

8

Zakenlui

0

Hulpverleners en zaakwaarnemers

8

Buurtbewoners

7

Betrokkenen

9

Andere

1

Worden de journalisten (door middel van een open vraag) gevraagd wie ze bij voorkeur interviewen, dan wordt heel sterk verwezen naar de actoren uit de juridische en politionele sfeer enerzijds, en naar de betrokkenen anderzijds. Daarnaast worden ook de hulpverleners en zaakwaarnemers (waaronder 2 keer expliciet 'Payoke') en de buurtbewoners meer dan eens vermeld.

 

Tabel 9: Wie bij voorkeur interviewen over het onderwerp prostitutie

Actoren

Aantal vermeldingen

Ordehandhaving en juridische sfeer

5

Politieke actoren

1

Experten

1

Zakenlui

0

Hulpverleners en zaakwaarnemers

3

Buurtbewoners

2

Betrokkenen 'de betrokkenen'  

    4

Betrokkenen

prostituée, klant of pooier 

    5

Andere

0

 

Als de 10 journalisten gevraagd wordt hoe de interviews verwerkt worden in de artikels, en of zij de geïnterviewden vaak citeren, dan zeggen 9 van de 10 journalisten dat ze effectief citaten in hun artikels opnemen. 4 journalisten verwijzen wel naar de noodzaak van de toestemming van de geïnterviewde. Als zij gevraagd worden naar de reden waarom zij geïnterviewden citeren, geven zij verschillende redenen: een belangrijke reden is het vermenselijken van de problematiek en het versterken van de geloofwaardigheid. Daarnaast zeggen drie journalisten belang te hechten aan het letterlijk weergeven van de woorden van de geïnterviewde omwille van het waarheidsgehalte van deze techniek. Eén journalist verwijst naar de afstand die door middel van een citaat gecreëerd kan worden tussen het standpunt van de geïnterviewde en de journalist.

In de zeldzame gevallen dat in de artikels verwezen wordt naar hulpverleningsorganisaties, valt het wel op dat in het merendeel van de gevallen naar Payoke verwezen wordt (55 verwijzingen). Andere organisaties die in de onderzochte artikels terug te vinden zijn, zijn Adzon (9 verwijzingen), Pasop (5 verwijzingen), Espace P (3 verwijzingen), Pandora (3 verwijzingen), de Rode Draad (1 verwijzing) en de Vertrouwenartsencentra (1 verwijzing). In vergelijking met Payoke wordt dus in de 5 onderzochte Vlaamse kranten slechts zelden naar deze andere organisaties verwezen.

 

Tabel 10: Welke hulpverleningsorganisaties worden vermeld

 

Aantal vermeldingen

% zonder Payoke

% met Payoke

Payoke

55

-

71.4

VZW Adzon

9

40.9

11.7

Pasop

5

22.7

6.5

Espace P

3

13.6

3.9

Pandora

3

13.6

3.9

De Rode draad

1

4.5

1.3

Vertrouwenartsencentra

1

4.5

1.3

Totaal zonder Payoke

22

100.0

-

Totaal met Payoke

77

-

100.0

Payoke kan daarom als belangrijkste (potentiële) spreekbuis gelden voor prostituées. Deze organisatie beschouwt zichzelf ook effectief als een belangenbehartigingsorganisatie en verzet zich vanuit die hoedanigheid tegen de slachtofferrol van de prostituée:

'De prostituée is geen slachtoffer en prostitutie is geen noodzakelijk kwaad. Prostitutie is een onderdeel van de samenleving, een onderdeel dat er altijd geweest is en er al altijd zal zijn. Dus misschien wel noodzakelijk, maar zeker geen kwaad.' (Payoke, 1998, p. 6)

Tegelijk is Payoke actief in de bestrijding van de mensenhandel en is (zelfs) gerechtigd tot burgerlijke partijstelling. Deze dubbele rol leidt tot een discours van de organisatie dat een strikt onderscheid maakt tussen enerzijds vrouwenhandel (en slachtofferschap) en anderzijds de prostituées:

'Dat er veel aandacht is voor het verschijnsel vrouwenhandel in de pers is positief. Maar nog al te vaak worden er verkeerde linken gelegd. Slachtoffers van vrouwenhandel noemt men prostituées, dit is een stigmatisering. Slachtoffers van vrouwenhandel zijn geen prostituées. Sommige vrouwen zijn in een situatie verzeild geraakt waarin ze niet anders konden dan seksuele diensten verlenen. Daarentegen zien we een groeiende groep van slachtoffers van mensenhandel die in andere sectoren terecht komen: als dienstmeisje, als au-pair, in een schijnhuwelijk, ...' (Payoke, 1998, p. 94)

Deze dualiteit wordt mooi weerspiegeld in de berichtgeving waar Payoke vermeld wordt. Naast de 'nepadressen'-zaak (waar Payoke beschuldigd werd van het leveren van valse adressen aan 'tientallen vreemdelingen'), zijn de thema's vrouwenhandel en criminaliteit enerzijds en de thema's belangenbehartiging en gedoogzone anderzijds het meest aanwezig.

 

Tabel 11: Inhoud vermeldingen 'Payoke'

 

Vermeldingen

 

Aantallen

in %

Steun / bezoek koning

3

5.4

Kwaliteitsmerk bordelen

1

1.8

Criminaliteit

5

9.0

Gedoogzone

9

16.3

Zaak 'nepadressen'

14

25.4

Vrouwenhandel

12

21.8

Belangenbehartiging prostituées

5

9.1

Legalisatie prostitutie

2

3.6

Subsidies

1

1.8

Aids-preventie

1

1.8

Bordeeltaks

2

3.6

Totaal

55

100

Als de 10 journalisten gevraagd wordt naar hun standpunten over Payoke, zijn drie van hen het oneens met de stelling dat Payoke een professionele organisatie is. Ook drie journalisten (waarvan er twee het oneens waren met de bovenstaande stelling) vinden dat Payoke geen goede spreekbuis is voor de prostituées. Tenslotte vindt één van deze journalisten dat Payoke zich te veel met de prostituées moeit.

 

Tabel 12: Standpunten journalisten en prostituées

 

Aantal journalisten eens

Payoke is een goede spreekbuis voor de prostituées.

5 (N=8)

Payoke is een professionele organisatie.

6 (N=9)

Payoke bemoeit zich te veel met de prostituées.

1 (N=6)

Het merendeel van de journalisten beschouwt Payoke echter wel een professionele organisatie en een goede spreekbuis. Bovendien wordt Payoke door twee van de 10 journalisten (spontaan) vermeld als een betrouwbare bron. Eén van de journalisten schrijft dat Payoke voor hem een goede bron is omdat 'Payoke makkelijk bereikbaar is en een goed zicht op de feiten heeft.'

 

3.3 Koosnamen en koosnaampjes voor prostituées

De verscheidenheid aan termen die voor een prostituée gebruikt wordt, is een laatste opvallende vaststelling uit de inhoudsanalyse die hier besproken wordt. Sommige van deze termen kunnen een subtiele morele veroordeling inhouden. Het woord 'hoer' is niet vrij van morele connotaties, hoewel deze term niet door iedereen (even) negatief wordt ervaren. Zo gebruikt Coyote de term 'Hooker', en is er het Whore activitist network. (Whore activitist network, 1996). De meest frequent gebruikte termen ('prostituée' en 'vrouw') hebben deze negatieve connotatie niet (of minder), maar ook het woord 'meisjes' komt bijzonder regelmatig voor, en verwijst niet zo direct naar mondige, volwassen en onafhankelijke vrouwen.

Daarnaast moet ook gewezen worden op de volledige afwezigheid van de term 'sekswerkster' in de geanalyseerde artikels.

 

Tabel 13: Termen voor prostituées

 

Aantal

 

Aantal

Prostituée(s)

369

Barmeid(en)

4

Vrouwen

310

Straatprostituée(s)

3

Meisje(s)

276

Straatmadeliefjes

3

Hoertje(s)

63

Luxeprostituée(s)

2

(Gezelschaps-, jonge-, bar-) dame(s)

31

Luxe-hoertje(s)

2

Hoer(en)

18

Dames van lichte zeden

2

Tippelaarster

13

Tippelprostituée(s)

1

Raamprostituée(s)

10

Kinderprostituée(s)

1

Danseres, ‘cabaretdanseres’, ‘ingeschreven karakterdanseres’

9

Homoprostitue(s)

1

Call-girls

7

Straathoertje(s)

1

Heroïnehoertje(s)

5

Vrouwtjes van plezier

1

Meisje(s) van plezier

5

Totaal

1137

Als we de aandacht verder toespitsen op het gebruik van verkleinwoorden, dan blijkt dat er 72 keer een 'echt' verkleinwoord gebruikt wordt. 'Hoertjes' komt het meest voor. In de 89 gevallen dat de term 'hoer' gebruikt wordt, is dit 71 keer als verkleinwoord. Journalisten gebruiken dus bijna nooit de term 'hoer', wat een ander licht werpt op het pleidooi om deze term toch te gebruiken. Het gebruik van de term 'hoertje' doet overduidelijk afbreuk aan het beeld van de prostituée als autonoom en mondig persoon.

 

Tabel 14: Termen voor prostituées: verkleinwoorden

 

Vermeldingen

Hoertje(s)

63

Heroïnehoertje(s)

5

Luxe-hoertje(s)

2

Straathoertje(s)

1

Vrouwtje(s) van plezier

1

 

 

Totaal aantal vermeldingen 'hoer', inclusief verkleinwoorden

89

 

 

Meisje(s)

276

 

 

Totaal aantal vermeldingen

1137

De term 'meisje(s)' wordt aanzienlijk meer gebruikt dan 'hoertje'. Strikt genomen is deze term natuurlijk geen verkleinwoord, maar zoals hierboven reeds opgemerkt, roept ook deze term niet onmiddellijk het beeld op van een autonoom persoon.

Naar aanleiding van de analyse van het woordgebruik wordt de 10 journalisten ook de vraag gesteld welke termen ze gebruiken om een prostituée te omschrijven. 2 journalisten zeggen alleen de term 'prostituée' te gebruiken, en een derde zegt deze term in 9 van de 10 gevallen te gebruiken, uitzonderlijk aangevuld met de term 'straatmadeliefje'. Deze persoon wijst het gebruik van de term 'hoer' expliciet af, omdat deze term 'zo denigrerend klinkt'. Een vierde journalist antwoordt op deze vraag met 'neutrale termen', zonder deze te specificeren.

Twee journalisten zeggen naast 'prostituée' ook de term 'hoer' en 'gezelschapsdame' te gebruiken.

Daarnaast zijn er drie journalisten die zeggen meerdere termen gebruiken zoals 'tippelaarster', 'meisje', 'hoertje', 'meisjes van lichte zeden' en 'dames van plezier'. Eén van deze drie journalisten antwoordt op deze vraag 'alle toepasselijke termen', ook weer zonder te specificeren. De vaststelling dat voor prostituées verkleinwoorden gebruikt worden, wordt hier bevestigd: 3 journalisten zeggen gebruik te maken van verkleinwoorden.

Als hen gevraagd wordt naar de reden van deze woordkeuze, verwijzen de journalisten die meerdere termen gebruiken naar het belang van taalvariatie en leesbaarheid. Andere journalisten wijzen op het belang van neutraliteit in de woordkeuze. Eén journalist die de term 'prostituée' afwisselt met 'hoer' verklaart deze keuze door te stellen: 'omdat een kat een kat heet'.

 

4. Besluit van de inhoudsanalyse

Het mediadiscours over prostituées is verre van gunstig te noemen. Als nagegaan wordt welke identiteiten in de media aanwezig zijn, dan blijkt het discursieve knooppunt de prostituée als slachtoffer5 te zijn. Zij is het slachtoffer van een afschrikkingsbeleid, van vrouwenhandel6, van haar illegale situatie en van geweld. Als de prostituée niet in een slachtofferrol wordt geplaatst, wordt haar identiteit vaak gekoppeld aan een negatieve benadering: de prostituée is dan een dievegge, een verslaafde, een potentiële infectiebron, een bron van overlast of een (illegale) gelukzoekster.

Daarnaast is het beeld van de mondige prostituée zeldzaam: prostituées komen in de berichtgeving zelf zelden aan het woord, terwijl er veel over hen (en niet altijd in de meest fraaie bewoordingen) geschreven wordt. Soms maakt het gekruide woord- en taalgebruik van journalisten dit alleen maar erger. Ook de hulpverleningsorganisaties en zaakwaarnemers, die als spreekbuis zouden kunnen optreden, komen weinig aan het woord, ondanks het feit dat ze als deskundig worden beschouwd.

Deze beeldvorming kan niet los gezien worden van een verschijnsel dat Elias en Scotson 'pars pro toto stigmatisering' noemen: oftewel 'de vorming van een algemeen beeld over een categorie buitenstaanders op basis van haar 'minderheid van de slechtsten.' (Van der Poel, 1994, p. 80) De aandacht voor probleemcategorieën zoals de slachtoffers van de vrouwenhandel zorgt ervoor dat vrouwenhandel als de kern van de volledige prostitutiewereld wordt beschouwd, waardoor het stigma juist vergroot:

'Hierbij valt op dat zolang de beroepsprostituées de beeldvorming monopoliseren, de publieke opinie zich snel wijzigt. Het emancipatieproces stagneert en slaat snel om in het tegendeel als blijkt dat prostitutie ook slachtoffers voortbrengt.' (Van der Poel, 1994, p. 79)

Zoals hoger reeds opgemerkt mag de verantwoordelijkheid niet volledig bij de pers en de journalisten in kwestie gelegd worden. Gedeeltelijk echter wel, aangezien journalisten zichzelf graag zien zoals Gans ze genoemd heeft: neutrale 'managers in de symbolische arena'. (Gans, 1980). Nieuwsmedia zijn echter geen neutrale bemiddelaars, maar (re)construeren in regel dominante discours. (Van Zoonen, 1991, p. 25) Deze analyse heeft aangetoond dat dit op een flagrante manier ook het geval is als het gaat over de identiteit van prostituées.

Gedeeltelijk moeten de media ook vrijgepleit worden, aangezien ze functioneren binnen een zeer specifiek kader, waar overwegingen van plaats en tijd een belangrijke rol spelen. In dit kader krijgen bijvoorbeeld institutionele bronnen een structurele voorkeur. (Van Zoonen, 1991, p. 37) Dit is belangrijk, want:

'Those in powerful or high status positions in society who offer opinions about controversial topics will have their definitions accepted, because such spokesman are understood to have access to more accurate or more specialised information on particular topics than the majority of the population.' (Hall, 1978, p. 58)

De beperkingen waar de pers aan onderhevig is, en de voorkeur voor institutionele bronnen die hieruit voortvloeit, verklaren mede waarom juridische en politionele bronnen zo sterk aanwezig zijn binnen de berichtgeving over prostitutie en waarom zij erin slagen hun discours hegemonisch te maken.

Het beeld is wel niet geheel negatief: er moet opgemerkt worden dat een organisatie als Payoke wel media-aandacht krijgt, en bovendien door het merendeel van de bevraagde journalisten als deskundig wordt beschouwd. Daar komt bij dat deze journalisten ook expliciet melden een voorkeur te hebben om - naast de actoren uit de juridische en politionele sfeer - prostituées in de berichtgeving te betrekken.

Vandaar dat dit onderdeel wordt afgesloten met een pleidooi voor een zelforganisatie van prostituées, vanuit een communicatiewetenschappelijk standpunt. Een dergelijke organisatie zou enerzijds in staat kunnen zijn om de eigen thema's meer naar voor te schuiven op de media-agenda en daarbij invloed uit te oefenen op de politieke agenda, de media-organisaties meer te sensibiliseren voor het discours van de prostituée als de onafhankelijke, mondige vrouw en zelf meer aanwezig te zijn in de media om dit discours te helpen versterken. Anderzijds kan een zelforganisatie van prostituées ook voldoen aan de problemen die journalisten ervaren om snel en efficiënt een woordvoerdster te kunnen interviewen. Het is voor journalisten immers niet altijd een eenvoudige taak om een prostituée te vinden die bereid is om haar anonimiteit op te geven en in een artikel, op radio of televisie te figureren.

Het Amerikaanse Coyote heeft hierbij een niet onbelangrijke voorbeeldfunctie: door de jaarlijkse organisatie van de 'Annual Hookers convention' en het 'Hookers ball' slaagden zij erin om aanzienlijke persbelangstelling uit te lokken: 'for the press it was an orgy. They filmed, photographed, and interviewed everyone who was generous with her eyeshadow.' (Jennes, 1990, p. 409) In de strijd om betekenisconstructie speelden zij een cruciale rol:

'Coyote weet de aanwezigheid van de pers te benutten om de eigen definitie van prostitutie en prostituées voor het voetlicht te brengen. De verslaggevers schrijven opgetogen over 'de nieuwe prostituée', een type dat zich kenmerkt door strijdvaardigheid, zelfbewustheid en trots op het vak dat zij beoefent.' (Van der Poel, 1994, p. 54)

Ook O'Neill onderstreept het belang van de congressen en conferenties van prostituées: over het 'European Whores Congress', dat in 1991 in Frankfurt am Main doorging, schrijft ze:

'The women at the congress were strong and articulate, demanding the decriminalisation of prostitution and the same rights, civil liberties and rights to human dignity as other workers.' (O'Neill, 1997, p. 27)

Een derde voorbeeld is de campagne van de English Collective of Prostitutes, die in 1992 in London werd gevoerd aan de hand van 4 basisslogans:

bullet No-one screws more prostitutes than the government. In 1990 prostitutes were fined £1/2 million.
bullet What's the difference between a phone company and a prostitute? One charges 48p per min for sex, the other one gets charged in court.
bullet Practising safe sex can get you arrested. Prostitutes are arrested for carrying condoms.
bullet What do you call men who take money from prostitutes? Magistrates.' (English Collective of Prostitutes, 1997, p. 102)

In Vlaanderen kunnen de door Payoke georganiseerde open-deur-dagen in de Antwerpse prostitutiewijk als aanzet en voorbeeld dienen, naast de acties van lokale, kleinschalige zelforganisaties zoals bijvoorbeeld Vikina (nu Stiep) in Oostende en Pandora in Antwerpen.

 

5. Prostituées en zelforganisatie

5.1 Belemmeringen voor groepsvorming

Het proces naar meer groepsvorming en zelforganisatie is echter verre van eenvoudig, zeker niet voor gemarginaliseerde en gestigmatiseerde subgroepen:

'Het stigma op prostitutie en prostituées en de maatschappelijke uitstoting die daarvan het gevolg is, brengen zowel prostituées-als-groep als individuele vrouwen in een enorm isolement. (...( Bovendien brengt de verdrukking waarin de prostitutie verkeert, een verdeeldheid onder prostituées teweeg, zoals vaak het geval is bij onderdrukte en gestigmatiseerde groepen. Dit nog afgezien van de verdeel- en heerspolitiek, die door zowel klanten als pooiers toegepast wordt. Rivaliteit en een gebrek aan solidariteit staan bewustwording, blokvorming en organisatie in de weg'. (Vanwesenbeek, 1994, p. 377)

Het probleem van groepsvorming wordt alleen maar bevestigd door de vaststelling dat acties van prostituées vaak gerelateerd zijn dramatische gebeurtenissen. Van Mens verwijst bijvoorbeeld naar de acties van Franse prostituées in Lyon, die naar aanleiding van de moord op 2 prostituées in 1974 een eisenpakket samenstelden. (Van Mens, 1992, p. 92)

Vanuit de bevraging bij 73 Antwerpse straat- en raamprostituées kunnen een aantal belemmeringen vastgesteld worden die de groepsvorming en zelforganisatie zullen bemoeilijken.

Een eerste weinig verrassende vaststelling is dat de heterogeniteit en mobiliteit van de onderzochte groep prostituées erg groot is. Deze diversiteit blijkt onder andere uit de verschillende talen die de prostituées spreken: 34% werd in het Nederlands geïnterviewd, 22.5% in het Frans en 37% in het Engels. Een tweede bevestiging van deze diversiteit is dat bij de prostituées 15 verschillende nationaliteiten werden geteld. 65% van de prostituées had een (Oost- of West-)Europese nationaliteit, 25% een Afrikaanse. Een derde element dat deze vaststelling staaft, is de verscheidenheid aan leeftijden: 54% van de prostituées zegt jonger dan 30 jaar te zijn, een vijfde is tussen 30 en 40 jaar oud en een vijfde is 40 jaar of ouder. De jongste prostituée zegt 19 jaar oud te zijn, de oudste 63 jaar.

De prostituées die bevraagd werden, vertonen dus een duidelijk verschillend profiel. Het is dan ook niet verrassend dat zij zelden een consensus bereiken over belangrijke thema's zoals legalisering, het instellen van een gedoogzone en de eroscentra. Vaak hebben de bevraagde thema's ongeveer 50% voorstanders en 50% tegenstanders.

Ten derde zijn er nog een aantal psychologische mechanismen, die de groepsvorming zullen belemmeren. Zo is er bij de prostituées overduidelijk een gevoel van wantrouwen aanwezig. Ongeveer 73% van de ondervraagde prostituées zegt dat ze 'tegenwoordig geen vertrouwen meer heeft in de mensen'. Daarnaast willen sommige prostituées een zo groot mogelijke afstand creëren tussen hun beroep en privé-leven, hetgeen Goode compartimentalisatie noemt. (Goode, 1960) Het engagement voor de groep kan deze scheiding bemoeilijken en bovendien de gewenste anonimiteit doorbreken. Een laatste element is dat sommige prostituées volledig in beslag genomen worden door het dagelijkse overleven en daardoor niet altijd de behoefte hebben zich te engageren in het zoeken naar oplossingen voor problemen op lange termijn. De illegale status van een deel onder hen is daar niet vreemd aan.

 

5.2 Gemeenschappelijke kenmerken en elementen voor groepsvorming

Ondanks deze diversiteit bestaan er wel een aantal gemeenschappelijke kenmerken. Onder meer deze kenmerken kunnen als voedingsbodem dienen voor de groepsvorming. Zo is bijvoorbeeld een relatief grote groep laag geschoold (27% heeft geen of lager onderwijs genoten, 22.5% heeft een diploma lager middelbaar onderwijs). Ook zijn prostituées vaak ongehuwd (84%) en hebben ze relatief zelden een partner: 33% heeft een partner. De meeste prostituées (64%) hebben geen kinderen, maar bij de prostituées die wel kinderen hebben is de groep met twee of meer kinderen vrij groot: 21% van de prostituées heeft 2 of meer kinderen.

Ze werken ook vaak in kamers die qua comfort te wensen over laten: slechts 28%7 werkt in een huis dat geen (opvallende) gebreken vertoont. Bovendien werken ze ook vaak samen: slechts 19% van de ondervraagde prostituées zegt alleen te werken. Ook op het gebied van gezondheid hebben de prostituées een reeks klachten gemeenschappelijk: rugpijn, vermoeidheid, verkoudheden en hoofdpijn komen het meest frequent bij de ondervraagde prostituées voor. Tenslotte moet een aantal prostituées in - naar verhouding - onveilige omstandigheden werken. 12% zegt dat ze met lichamelijk geweld in aanraking is gekomen, en evenveel prostituées zegt ooit overvallen of bestolen te zijn. 49% zegt dat de politie prostituées discrimineert.

Vanwesenbeek onderscheidt daarnaast een aantal mechanismen die kunnen bijdragen aan de subjectivering van prostituées: arbeidsethos, verzet tegen het milieu waarin ze zijn opgegroeid, de mogelijkheid om grenzen te stellen en het objectiveren van klanten. (Vanwesenbeek, 1994) In de Antwerpse bevraging zegt bijvoorbeeld 71% van de prostituées dat ze zich machtig voelt tegen over hun klanten. In één van de diepte-interviews die in het kader van dit onderzoek werden uitgevoerd, verwijst een prostituée naar haar machtspositie en de mogelijkheid om grenzen te stellen:

'Als je wat oplet en je organiseert je leven, kan je als prostituée een aangenaam leven hebben. Als ik eerlijk ben, doe ik het beroep graag omdat ik een zekere machtspositie heb. En vrijheid. Het geld is niet altijd belangrijk. Ik ben niks verplicht aan de klant. Hij betaalt wel, maar hij zal doen wat ik zeg. Als het nee is, is het nee.' (interview met Sandra, vrouw, 29 jaar).

Nog belangrijker is het arbeidsethos en de financiële onafhankelijkheid waar Vanwesenbeek naar verwijst (Vanwesenbeek, 1994, p. 369-370). Het herdefiniëren van prostitutie als werk is bijvoorbeeld voor Coyote één van de belangrijkste betrachtingen geweest:

'[...] prostitution is work, and the master concept of work should replace the master concept of crime as the fundamental stance of society toward prostitution.' (Jennes, 1990, p. 405)

Het belang dat gehecht wordt aan professioneel werken en kwalitatieve dienstverlening levert een fundamentele bijdrage aan de identiteit van de prostituée. Het maakt het onderscheid tussen een 'goede prostituée' en een 'slechte prostituée' - dat Scrambler beschrijft - mogelijk:

'For many women sex workers 'being a prostitute' is not in itself shameful. They do not accept, even if they are not impervious to, society's ubiquitous cultural norms around (hetero-)sexual relations. Often they have their own sub-cultural, or counter-cultural notions of honour/dishonour. These may be related to distinctions between 'good whores' and 'bad whores'. Good whores are variously defined as women who maintain a code of fair work, ask for money in advance, leave their clients feeling satisfied, use healthy practices like washing clients and insisting on condoms, remain emotionally (and sexually) detached, never provide services not negotiated beforehand, and warn other women about dangerous or unreliable clients.' (Scambler, 1997, p.109)

Dit onderscheid kan gekaderd worden in de interpretatie van antagonistische identiteiten van Lacau en Mouffe: volgens deze auteurs vormt antagonisme identiteiten, maar destabiliseert het ze ook. (Howarth, 1998, p. 275) De antagonistische identiteiten hebben elkaar nodig, maar bedreigen elkaar tegelijkertijd: 'the presence of the 'Other' prevents me from being totally myself. The relation arises not from full totalities, but from the impossibility of their constitution.' (Laclau, 1985, p. 125) Het is immers niet mogelijk zichzelf een 'goede prostituée' te vinden zonder het besef dat er 'slechte prostituées' bestaan.

 

5.3 Een zelforganisatie?

De afweging tussen de belemmeringen en de voedingsbodems leidt tot de conclusie dat samenwerking tussen de prostituées wel degelijk tot de mogelijkheden behoort. Ook een zelforganisatie lijkt haalbaar: 54% van de prostituées verwacht dat een 'vakbond' voor prostituées verbetering in hun situatie zal brengen. Een minderheid (30%) verwacht hierdoor meer problemen met rijkswacht en politie.

Tegelijk blijken de prostituées veel belang te hechten aan hun onafhankelijkheid: 70% wil niet dat een dergelijke 'vakbond' hen regels gaat opleggen, en 90% zegt dat ze zich zonder 'vakbond' ook wel weten te redden.

 

Tabel 15: Standpunten over een 'vakbond' voor prostituées

 

% eens

N

Een hoerenvakbond betekent alleen meer problemen met politie en rijkswacht.

29.8

47

Een hoerenvakbond kan verbeteringen brengen in mijn situatie.

54.4

57

Ik wil niet dat een hoerenvakbond mij regels gaat opleggen.

70.4

54

Zonder hoerenvakbond weet ik me ook wel te redden.

90.2

61

Als de prostituées gevraagd worden wie een dergelijke 'vakbond' moet organiseren, blijkt toch iets meer dan de helft (49%) een voorstander te zijn dat prostituées zelf instaan voor de organisatie van een 'vakbond'. Payoke komt op een tweede plaats met 30%, en de gewone vakbond op een derde plaats met 5%.

 

Tabel 16: Wie moet een 'vakbond' organiseren?

N=63

In % (N)

Prostituées zelf

49.2 (31)

Payoke

30.1 (19)

Gewone vakbond

4.8 (3)

Eender wie

3.2 (2)

Neutrale mensen

1.6 (1)

Overheid

1.6 (1)

Vooral deze laatste vraag wijst op de voorkeur voor een zelforganisatie. Het is natuurlijk wel mogelijk dat reeds bestaande organisaties - belangenbehartigers, zaakwaarnemers, hulpverleners of vakbonden - een rol spelen in het ontstaan en blijven voortbestaan van een - van deze organisaties onafhankelijke - zelforganisatie. Zij beschikken immers over de structuur en de mogelijkheden om een impuls te geven en om in te staan voor de logistieke ondersteuning.

6. Besluit

Vrouwenhandel, heroïneprostitutie en kinderprostitutie zijn sociale fenomenen waarvan het bestaan niet ontkent kan en mag worden. Het boek van Chris De Stoop heeft een cruciale rol gesteld in het ontmaskeren van een deel van de prostitutie als mensenhandel. (De Stoop, 1993) Zaakwaarnemers, hulpverleners en de verschillende overheidsinstanties hebben (terecht) gereageerd op deze problematiek, en hun actie-terrein gedeeltelijk aangepast.

De eenzijdige klemtoon op deze fenomenen - zoals nog eens werd aangetoond in de inhoudsanalyse van de Vlaamse pers - heeft echter geleid tot een hegemonisch discours rond het knooppunt van het slachtofferschap, gekoppeld aan een keten van equivalente negatieve identiteiten. De stigmatisering die hieruit voortvloeit berokkent ook schade aan de (identiteit van) andere subgroepen binnen de prostitutiewereld, zoals de beroepsprostituées.

Media spelen een belangrijke rol in de constructie van dit beeld. Daarom is het niet onlogisch hen te kiezen als kanalen om ook de autonome en mondige prostituée in beeld te brengen, zodat de identiteit van de prostituée als slachtoffer genuanceerd kan worden. Aangezien mediaorganisaties zelf ook vaak onderhevig zijn aan het dominante discours, zijn hiervoor hefbomen nodig. Eén van de mogelijkheden die in deze tekst naar voren wordt geschoven is de zelforganisatie van prostituées, naar analogie van organisaties als Coyote, het English Collective of Prostitutes en de Rode Draad.

Een zelforganisatie is natuurlijk niet de enige manier voor prostituées om een meer subjectgerichte identiteit te bewerkstellingen. Van der Poel verwijst in dit opzicht naar de symbolische functie van scholing voor elke beroepsgroep. Bovendien is ook de weg van zelforganisaties van prostituées een moeilijke weg, zoals de buitenlandse ervaringen meer dan voldoende hebben uitgewezen.

Nochtans probeert deze tekst aan te tonen dat er mogelijkheden en voedingsbodems zijn om zo'n zelforganisatie levensvatbaar te maken. Reeds bestaande organisaties zoals belangenbehartigers, zaakwaarnemers, hulpverleners of vakbonden kunnen hierbij een sleutelrol vervullen, zodat een onafhankelijke zelforganisatie op een grotere schaal dan het lokale kan ontstaan en blijven bestaan.

Op deze manier kan bijgedragen worden om, zoals Vanwesenbeek het stelt, bij prostituées: 'meer dan op hun objekt-zijn, de nadruk te leggen te leggen op hun subjekt-zijn [...] en om meer dan aan hun slachtofferstatus, stem te geven aan hun kracht.' (Vanwesenbeek, 1994, p. 378)

horizontal rule

Lijst van tabellen

Tabel 1: de geanalyseerde artikels
tabel 2: respons bevraging journalisten
tabel 3: de 10 journalisten en hun krant
tabel 4: verloop van de contacten
tabel 5: overzichtstabel van het voorkomen van de hoofdthema's
tabel 6: invalshoeken
tabel 7: de vier analyse-categorieën naar type actoren, in %
tabel 8: ooit een interview gedaan met actoren
tabel 9: wie bij voorkeur interviewen over het onderwerp prostitutie
tabel 10: welke hulpverleningsorganisaties worden vermeld
tabel 11: inhoud vermeldingen 'payoke'
tabel 12: standpunten journalisten en prostituées
tabel 13: termen voor prostituées
tabel 14: termen voor prostituées: verkleinwoorden
tabel 15: standpunten over een 'vakbond' voor prostituées
tabel 16: wie moet een 'vakbond' organiseren?

horizontal rule

Bibliografie

 

bullet Carpentier, N., Van Hove, Erik, e.a., (1997). Prostitutie in Antwerpen. Antwerpen, UIA, 244 p.
bullet Coalition on Prostitution, (1996). Coalition on Prostitution, http://www.bayswan.org/COP.html 
bullet Commercial Sex Information Service, (1998). Rights groups, http://www.walnet.org/csis/groups/index.html 
bullet Commercial Sex Information Service, (1998). The Sex Workers Alliance of Toronto, http://www.walnet.org/csis/groups/swat/index.html 
bullet Coyote, (1998). Hookers Ball, http://Hookersball.com/
bullet De Stoop, C., (1993). Ze zijn zo lief, meneer: over vrouwenhandel, meisjesballetten en de Bende van de Miljardair. Leuven, Kritak, 248 p.
bullet English Collective of Prostitutes, (1997). Campaigning for legal change. In: Rethinking prostitution. Purchasing sex in the 1990s. G. Scrambler, Scrambler, Annette (ed.). London and New York, Routledge: p. 83-102.
bullet Gans, H., (1980). Deciding what's news: a study of CBS evening news, NBC nightly news, Newsweek and Time. New York, Vintage Books, 393 p.
bullet Goode, W. J., (1960). "A Theory of Role Strain." In: American Sociological Review 25(4): p. 483-496.
bullet Hall, S., Critcher, Chas, Jefferson, Tony, Clarke, J., Roberts, B., (1978). Policing the crisis: mugging, the state, and law and order. London, MacMillan, 425 p.
bullet Howarth, D., (1998). Discourse theory and political analysis. In: Research strategies in the social sciences. E. Scarbrough, Tanenbaum, Eric (ed.). Oxford, Oxford University Press: p. 268-293.
bullet Iswface, (1998). Welcome, http://www.freedomusa.org/iswface/index.html 
bullet Jennes, V., (1990). "From sex as sin to sex as work: Coyote and the reorganisation of prostitution as a social problem." In: Social problems 37(3): p. 403-420.
bullet Laclau, E., Mouffe, Chantal, (1985). Hegemony and socialist strategy: towards a radical democratic politics. London, Verso, 197 p.
bullet Laclau, E., (1988). Metaphor and social antagonisms. In: Marxism and the interpretation of culture. C. Nelson, Grossberg, L. (ed.). Urbana, University of Illinois: p. 249-257.
bullet McQuail, D., (1987). Mass Communication Theory. An Introduction. London, Sage, 416 p.
bullet Michielsens, M., ten Boom, Annemarie, (1999). Slachtoffers op het televisienieuws. In: Bouw een vrouw. De sociale constructie van vrouwbeelden in de media. M. Michielsens, Mortelmans, Dimitri, Spee, Sonja, Billet, Mic (ed.). Leuven, Acco - nog niet gepubliceerd: p. 159-175.
bullet O'Neill, M., (1997). Prostitute women now. In: Rethinking prostitution. Purchasing sex in the 1990s. G. Scrambler, Scrambler, Annette (ed.). London and New York, Routledge: p. 3-28.
bullet Payoke, (1998). Payoke - Asmodee in Antwerpen. In: Mensenhandel: nog steeds te veel laksheid en onverschilligheid. Evaluatierapport over de evolutie en de resultaten van de bestrijding van de internationale mensenhandel. Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding (ed.). Brussel, Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding: p. 94-96.
bullet Payoke, (1998). Stedelijk prostitutiebeleidsplan. Het Schipperskwartier. Antwerpen, Payoke, 25 p.
bullet Prostitutes Collective of Victoria, (1998). Prostitutes Collective of Victoria, http://adhocalypse.arts.unimelb.edu.au/fcf/ucr/student/1996/m.dwyer/pcvhome.html  
bullet Scambler, G., (1997). Conspicuous and inconspicuous sex work. The neglect of the ordinary and mundane. In: Rethinking prostitution. Purchasing sex in the 1990s. G. Scrambler, Scrambler, Annette (ed.). London and New York, Routledge: p. 105-120.
bullet Servaes, J., Tonnaer, C., (1992). De nieuwsmarkt: Vorm en inhoud van de internationale berichtgeving. Groningen, Wolters-Noordhoff, 146 p.
bullet Sex Workers Alliance of Vancouver, (1998). Sex Workers Alliance of Vancouver, http://www.walnet.org/csis/groups/swav/index.html 
bullet Van der Poel, S., (1994). "De wal keert het schip. Opkomst en ondergang van de emancipatiebeweging van prostituées." In: Amsterdams sociologisch tijdschrift 20(4): p. 51-89.
bullet Van Mens, L., (1992). Prostitutie in bedrijf. Organisatie, management en arbeidsverhoudingen in seksclubs en privé-huizen. Delft, Eburon, 219 p.
bullet Van Zoonen, L., (1991). 'Moeten strijdende vrouwen zo grof zijn?' De vrouwenbeweging en de media. Amsterdam, SUA, 323 p.
bullet Vandervorst, J., (1994). Prostitutie, alweer prostitutie. In: Jaarboek seksualiteit, relaties en geboorteregeling. CGSO (ed.). Gent, CGSO: p. 96-102.
bullet Vanwesenbeek, I., (1991). "Sekswerk als professionele zorgarbeid, de straat en de club." In: Lover(1): p. 27-31.
bullet Vanwesenbeek, I., (1994). "De subjectiviteit van het object. Prostituées en autonomie." In: Tijdschrift voor vrouwenstudies(27): p. 366-378.
bullet Weitzer, R., (1991). "Prostitutes' rights in the United States: The Failure of a Movement." In: The Sociological Quarterly 32(1): p. 23-41.
bullet Whore activitist network, (1996). Home of the whore Activist, http://www.whoreact.net/

horizontal rule

Voetnoten

 

  1. In deze tekst wordt hoofdzakelijk verwezen naar prostituées en minder naar prostitués, omdat de analyse van het discours over prostitués slechts gedeeltelijk gelijkloopt met dat over prostituées.
  2. Met dank aan de volgende studenten van het leeronderzoek 1996: Jeroen Aarts, Annick Aerts, Els Depauw, Ine Goris, Ann Kenis, Anne Poncin, Tracy Van Den Wyngaert, Elke Van Espen, Ann Van Gils, Jurgen Van Gorp, Ann Van Leemput, Florence Van Schependom en Kaat Wouters.
  3. 51 journalisten werden via 1 krant gecontacteerd, 6 journalisten via twee kranten en 1 journalist via drie kranten.
  4. De tiende journalist had deze vraag niet ingevuld.
  5. Michielsens en ten Boom stelden recent een relatieve overrepresentatie van vrouwelijke slachtoffers (niet alleen van vrouwenhandel) vast in het tv-nieuws. (Michielsens, 1999)
  6. Deze analyse mag natuurlijk niet voorbij gaan aan de vaststelling dat prostituées vaak effectief het slachtoffer zijn van vrouwenhandel. Wel opvallend is de dominantie van deze identiteit ten opzichte van een meer positieve identiteit als autonome en mondige vrouw.
  7. Dit percentage is gebaseerd op de beoordeling van de interviewer, met N=232

 

 

 Vorige Start Omhoog Volgende

 

Copyright © SOS Schipperskwartier 2006