|
|
|
|
|
|
|
|
|
Beelden van prostituées
Inhoud
1. Inleiding Prostitutie is
een sociaal fenomeen met vele gezichten, en wordt op sociaal vlak
vanuit een hele reeks invalshoeken benaderd: Zo onderscheidt Van
Mens vijf verschillende invalshoeken in het debat over prostitutie:
de prostitutie als zonde, als bron van wanorde en overlast, als bron
van ziekten, als deviant gedrag en als 'uitvloeier van ongelijke
sekseverhoudingen.' (Van Mens, 1992, p. 91) Deze verschillende
invalshoeken leiden tot een discours over de prostituée1 dat
gekenmerkt wordt door een lange aaneenschakeling van negatieve
identiteiten: de prostituée wordt (in meer of mindere mate) gezien
als zondaar, als echtbreekster, als verleidster, als een moreel
verderfelijk persoon, als crimineel, als verslaafde, als
rustverstoorder, als oorzaak van maatschappelijke destabilisatie,
als infectiebron, als gestoorde vrouw, als deviant persoon, als
nymfomaan, als een frigide vrouw, als lesbische vrouw, als
(lust)object, als onderdrukte vrouw, als slachtoffer, enzovoort. Vanwesenbeek wijst er wel op dat - zonder de gedwongen prostitutie uit het oog te verliezen - deze negatieve identiteit van de prostituée genuanceerd dient te worden. Volgens deze auteur kan 'sekswerk' een mogelijkheid zijn tot financiële, seksuele en emotionele bevrijding van vrouwen. Niet enkel armoede kan een reden zijn om in de prostitutie te gaan, maar ook het streven naar onafhankelijkheid, financiële autonomie of seksuele zelfbepaling. Prostituées kunnen volgens deze visie ook gezien worden als subjecten, en niet louter als objecten. (Vanwesenbeek, 1991) Getuigen van een dergelijke emancipatiebeweging zijn de verschillende (zelf-) organisaties van (en met) prostituées die - 'voor het eerst in de lange geschiedenis van de prostitutie' (Van Mens, 1992, p. 92) - in de jaren '70 zijn ontstaan:
Deze organisaties
proberen te breken met de hegemonie van de hierboven beschreven
negatieve benadering van prostitutie, en plaatsen daar tegenover de
positieve identiteit van de autonome, onafhankelijke en mondige
prostituée.
De hierna volgende
tekst bestaat uit twee delen: in een eerste deel wordt nagegaan in
welke mate deze twee antagonistische identiteiten in de Vlaamse pers
terug te vinden zijn, hierbij steunend op de discourstheorie van
Laclau en Mouffe. (Laclau, 1985)
Laclau en Mouffe
stellen in hun theorie dat sociale fenomenen pas hun betekenis en
identiteit verkrijgen binnen een discours, dat gedefinieerd wordt
als 'a structure in which meaning is constantly negotiated and
constructed.' (Laclau, 1988, p. 254) Discours zijn bijgevolg niet
vast en gefixeerd, maar kunnen geherdefinieerd of gere-articuleerd
worden. Een discours is in de discourstheorie van Laclau en Mouffe
nooit veilig voor elementen vreemd aan dat discours. Er is steeds
een surplus, een overschot aan elementen. Dit surplus noemen Laclau
en Mouffe het 'field of discursivity'. (Laclau, 1985, p.112) Binnen
dit veld strijden verschillende discours om de dominantie te
verwerven.
Discours zijn ook
gedeeltelijk gefixeerd, de overvloed aan betekenis zou anders elke
betekenis onmogelijk maken. Deze punten waar het discours wel
(gedeeltelijk) gefixeerd is, noemen Laclau en Mouffe 'nodal points'
of knooppunten, naar analogie van het concept 'points de capiton'
van Lacan. Deze knooppunten zijn geprivilegieerde betekenaars die de
betekenis van een keten van betekenis vastleggen. (Laclau, 1985,
p.112)
Media spelen in de
constructie van betekenis en van de sociale realiteit een specifieke
rol. Ze weerspiegelen de bestaande maatschappelijke discours, die ze
aan hun lezers, kijkers of luisteraars aanbieden, waarbij bepaalde
betekenissen en identiteiten meer of minder aan bod (kunnen of
mogen) komen en hierdoor versterkt of afgezwakt zullen worden. Het
is hierbij wel belangrijk op te merken dat de lezers, kijkers of
luisteraars van media - door de interpretaties die ze zelf geven -
ook een bijdrage leveren in de constructie van de eigen sociale
realiteit, in interactie met de symbolische constructies die de
media leveren. Zij zijn dus niet weerloos overgeleverd aan de media.
(McQuail, 1987, p. 331)
In dit eerste deel
wordt niet alleen belang gehecht aan de manier waarop prostituées in
de media komen, maar ook aan de mate waarin zij zelf en de
hulpverleningsorganisaties en zaakwaarnemers - potentiële
spreekbuizen voor prostituées - in de media, met name de geschreven
pers, aanwezig zijn. Eén van de uitgangspunten van deze tekst is
namelijk dat niet alleen journalisten verantwoordelijk zijn voor de
manier waarop prostituées in de media komen. Het is niet de
bedoeling de zoveelste jammerklacht over het wangedrag van de media
te lanceren. Juist om deze reden wordt dit eerste deel besloten met
een warm pleidooi voor een Vlaamse of Belgische zelforganisatie voor
prostituées. Een dergelijke zelforganisatie kan niet alleen - zoals
ook Weitzer over Coyote opmerkt (Weitzer, 1991, p. 36) - een
belangrijke bijdrage leveren in de constructie van een positieve
identiteit bij prostituées zelf, maar tegelijk ook een rol spelen in
de betekenisconstructie op massamediaal niveau en in de strijd om
het dominante discours. Dit pleidooi ontslaat de bestaande
hulpverleners en zaakwaarnemers natuurlijk niet van hun
verantwoordelijkheid om ook gevoelig te blijven voor deze
discursieve strijd.
In het tweede deel
van deze tekst worden de ontstaansmogelijkheden en -moeilijkheden
van een dergelijke Vlaamse of Belgische zelforganisatie of een
zogenaamde 'prostitutievakbond' geschetst, op basis van een
bevraging van Antwerpse prostituées in 1996. Op deze manier kunnen
ook prostituées - weliswaar op een zeer bescheiden en beperkte
manier - in deze bijdrage aan het woord komen.
2. Methodologie
De basis van deze
tekst wordt geleverd door een onderzoek dat in 1996 van start ging
aan het departement politieke en sociale wetenschappen van de UIA2
in opdracht van de vzw Payoke. (Carpentier, 1997) Dit onderzoek had
als oorspronkelijke bedoeling een bevraging bij de Antwerpse
prostituées te organiseren, om ten eerste een profiel van die
Antwerpse prostituées op te stellen, en om ten tweede te peilen naar
de standpunten van de bevraagde prostituées inzake een aantal
thema's zoals de legalisatie van het beroep, het oprichten van een
prostitutievakbond, het instellen van een gedoogzone, vrouwenhandel,
het bouwen van eroscentra en hun houding ten opzichte van politie en
gerecht (zie 2.3). De hierboven geschetste bevraging werd aangevuld
met een aantal diepte-interviews met prostituées en een
literatuuronderzoek.
Deze
oorspronkelijke doelstelling werd uitgebreid met een tweede luik dat
bestond uit een inhoudsanalyse van de Vlaamse pers in de periode
1995-1996. De bedoeling hiervan was om op deze manier de
beeldvorming over de prostituées te kunnen analyseren (zie 2.1).
Deze inhoudsanalyse werd aangevuld met een beperkte bevraging van de
journalisten die deze artikels hadden geschreven (zie 2.2)
2.1
Krantenartikels verschenen van januari 1995 tot juni 1996
Voor de
inhoudsanalyse van prostitutie-krantenartikels - verschenen in de
periode van januari 1995 tot juni 1996 - werd een beroep gedaan op
het krantenarchief van Payoke. Dat archief bevatte voor deze periode
349 krantenartikels over prostitutie uit de belangrijkste Vlaamse
kranten, namelijk Het Laatste Nieuws, De Nieuwe Gazet, De Gazet van
Antwerpen, De Standaard, De Morgen, Het Volk en Het Nieuwsblad. Ook
enkele artikels uit Humo en radio- en televisieprogramma's maakten
deel uit van het Payoke-archief. De artikels van De Nieuwe Gazet, De
Gazet Van Antwerpen, De Morgen, Het Volk en Het Nieuwsblad bleken
het meest volledig te zijn. Om deze reden werd dan ook besloten 319
artikels van deze 5 kranten te selecteren voor de inhoudsanalyse. De
intercodeur-betrouwbaarheid bedraagt 86.4.
Tabel 1: De geanalyseerde artikels
Een opmerking die
onmiddellijk bij deze tabel gemaakt kan worden is dat vooral tijdens
de zomermaanden over het onderwerp prostitutie geschreven wordt.
2.2 Beperkte
bevraging van de betrokken journalisten
Op basis van de
319 geselecteerde artikels werden alle namen (en afkortingen van
namen) van journalisten die in de artikels voorkwamen
geïnventariseerd. 58 journalisten, die in de onderzoeksperiode
tenminste één artikel in verband met prostitutie geschreven hadden,
werden vervolgens schriftelijk gecontacteerd met het verzoek een
half-gestructureerde vragenlijst in te vullen.
Deze vragenlijst
bestond uit drie delen. In een eerste deel werd (door middel van 3
gesloten, 2 half-open en 4 open vragen) basisinformatie gevraagd
zodat een profiel van de journalisten in kwestie kon worden
samengesteld. Daarnaast werden een aantal (11 gesloten en 4 open)
opinievragen gesteld in verband met de thema's die ook aan bod
kwamen in de enquête bij de prostituées. Tenslotte werd een aantal
(14 gesloten en 9 open) vragen gesteld in verband met de werkwijze
van de journalisten.
Tabel 2: Respons bevraging journalisten
De respons van dit
deelonderzoek lag zoals verwacht kon worden, laag. Journalisten zijn
net zoals prostituées een moeilijk bevraagbare doelgroep: 10
journalisten stuurden hun vragenlijst tijdig terug. De resultaten
van deze bevraging kunnen bijgevolg alleen maar indicatief en
illustratief geïnterpreteerd worden. Van enige representativiteit
kan geen sprake zijn.
Van de 10
journalisten werken er 5 voor één krant. De andere vijf werken voor
twee kranten. De grootste groep zijn de drie journalisten die voor
Het Nieuwsblad werken; de andere kranten zijn steeds
vertegenwoordigd door twee journalisten. Doordat twee journalisten
tegelijk voor Het Nieuwsblad en De Standaard werken, en twee
journalisten voor zowel De Nieuwe Gazet en Het Laatste Nieuws
schrijven, is er ook (beperkte) informatie over deze kranten
beschikbaar.
50 jaar. Acht van
de 10 journalisten van zijn van het mannelijk geslacht, en geen van
hen werkte in de periode 1995-1996 als freelance journalist. Twee
van de tien journalisten schreven in de periode 95-96 wekelijks over
prostitutie, 6 schreven maandelijks en 1 journalist jaarlijks over
dit onderwerp4.
2.3
Bevraging van de Antwerpse prostituees
In de enquête bij
de prostituées werd gebruik gemaakt van gesloten en half-open
vragen. Deze enquêtes werden in april en mei 1996 via face-to-face
interviews afgenomen op basis van een naamloze adressenlijst die
door Payoke tijdens haar contacten in de sector verzameld werd. Het
ging om 332 adressen met 590 kamers. 181 adressen met gezamenlijk
349 kamers bleken opspoorbaar, wat 83 volledige interviews
opleverde.
Tabel 4: Verloop van de contacten
De steekproef werd
niet alleen bepaald door de beschikbare adressen, maar ook door het
tijdstip van interviewen. Doordat de prostituées in verschillende
shiften werken op hetzelfde adres, bekomt men vanzelf een steekproef
die bepaald wordt door het tijdstip van aanbellen. Bovendien bleken
straat- en raamprostituées veel makkelijker te bereiken. Zij
domineren dan ook de steekproef, wat waarschijnlijk de meest
ernstige vertekening oplevert. Van der Poel wijst namelijk op het
gevaar om de resultaten van de analyse van specifieke subpopulaties
uit de prostitutiewereld te veralgemenen:
'[...] de
straatprostituées [zijn] doorgaans oververtegenwoordigd en onder hen
zijn relatief veel drugverslaafden en minderjarigen. Men
generaliseert de resultaten van zulk onderzoek voor de hele
beroepsgroep en zodoende niet zelden tot de slotsom dat prostitutie
het product is van persoonlijkheidsstoornissen, dwang en behoeftige
omstandigheden.' (Van der Poel, 1994, p. 54)
De gestructureerde
vragenlijst bestond uit 3 delen. In het eerste deel werden vragen
gesteld over sociaal-demografische achtergrond, gezondheid en
inkomen. Dit eerste deel diende om het profiel van de prostituées te
kunnen opmaken. In het tweede deel werden de zogenaamde 'hete
hangijzers' behandeld met vragen over legalisatie,
prostitutievakbond, gedoogzone, vrouwenhandel, eroscentra en
politie/gerecht. Het derde deel van de gestructureerde vragenlijst
moest door de interviewer zelf worden ingevuld. Het gaat hier om
informatie die de interviewer zelf kan bekomen zonder dat er
expliciet naar gevraagd moet worden (bijvoorbeeld geslacht of
grootte van de kamer). Deze werkwijze werd gebruikt om de duur van
het eigenlijke interview te beperken.
3. Vijf Vlaamse
kranten over prostitutie
3.1 De
voorkeur voor onderwerpen uit de juridische en politionele sfeer
Een eerste
conclusie van de inhoudsanalyse van de krantenartikels is dat
onderwerpen uit de juridische en politionele sfeer dominant zijn.
Meer dan de helft van de gecodeerde fragmenten handelen over de
juridische bestraffing van vrouwenhandelaars en pooiers, over
prostituées die illegaal in België verblijven, over politierazzia's
in het 'prostitutiemilieu', over geweld tegen prostituées en over
crimineel gedrag van prostituées (zoals diefstal en druggebruik).
Tabel 5:
Overzichtstabel van het voorkomen van de hoofdthema’s
Het beeld van de
prostituée dat in deze artikels gehanteerd wordt, is dat van het
slachtoffer. In de gevallen waar prostituées niet als slachtoffer
geportretteerd worden en meer in een subjectpositie terechtkomen, is
er vaak de verwijzing naar hun daderschap gekoppeld aan een morele
veroordeling. Zo is er het verhaal van een prostituée die zelf geld
uit de portemonnee van haar klant mag nemen, omdat de klant
gehandicapt is en zijn armen niet kan gebruiken. Maar in plaats van
dat te doen gaat ze er met zijn hele bezit vandoor. (Gazet Van
Antwerpen, 26 januari 1996)
Naast de dominante
juridische en politionele invalshoek is er ook aandacht voor de
politieke aspecten van prostitutie. Het politieke aspect wordt
hoofdzakelijk ingevuld door een debat over gedoogzones, door de
beschrijving van het afschrikkingsbeleid van overheid én
buurtbewoners en door de discussie over een nieuw Antwerps
eroscentrum. De prostituées zelf komen hier zelden aan bod, tenzij
het gaat over de hinder die ze voor de buurt veroorzaken.
Het derde
belangrijke domein is de sociale invalshoek. Belangrijk is hier de
klemtoon op gezondheid, illegaliteit, armoede (vaak gekoppeld aan
illegaliteit) en de beleidseffecten. In het geval van het
gezondheidsaspect wordt verwezen naar de prostituée als potentiële
infectiebron voor Aids en andere soa's. Wel moet hierbij opgemerkt
worden dat het Gents epidemiologisch research-project - waarover
ongeveer van de helft artikels gaat - wijst op de zeer lage
prevalentie van Aids bij de 350 onderzochte prostituées. De artikels
rond de thema's illegaliteit, armoede en beleidseffecten plaatsen de
prostituées opnieuw in een slachtofferrol: in de eerste twee
gevallen (illegaliteit en armoede) zijn zij slachtoffer van
vrouwenhandel of van de plaatselijke economische situatie, in het
derde geval (beleidseffecten) zijn ze het slachtoffer van hardhandig
politieoptreden of van het wegblijven van de klanten ten gevolge van
het afschrikkingsbeleid. Wanneer de slachtofferrol minder sterk is,
worden zij vaak als (illegale) gelukszoekers geportretteerd, hetgeen
ook niet vrij is van negatieve connotaties.
Als de 10
journalisten gevraagd wordt naar de aanleiding van hun artikels
verwijzen naar onderwerpen die in de actualiteit zijn of naar nieuwe
feiten. Ze volgen hierbij de klassieke criteria van nieuwsselectie
(Servaes, 1992). Eén van de journalisten beantwoordt de vraag als
volgt:
'Meestal een nieuw
feit in de prostitutiebuurten, bijvoorbeeld een razzia, de bouw van
een eroscentrum, een gewelddaad.''
6 journalisten
verwijzen naar nieuwe feiten, 3 naar de algemene actualiteit. Van de
6 journalisten die naar nieuwe feiten verwijzen, vermelden 5
journalisten dat het vooral feiten betreft uit de juridische en
politionele sfeer, zoals incidenten, gewelddaden, razzia's,
gerechtelijke verslagen en rechtbankprocedures.
Als de
journalisten gevraagd wordt welke invalshoeken het meest aan bod
komen in hun krant, wijzen drie journalisten op de diversiteit van
de behandelde onderwerpen. Daarnaast geven de meesten een opsomming
van de behandelde invalshoeken. Als de categorieën van de
geanalyseerde artikels gebruikt worden, valt ook hier het overwicht
van de juridische en politionele thema's op. Wel is het aandeel van
de eerder sociale thema's naar verhouding groter.
Tabel 6:
Invalshoeken
3.2 Wie komt
aan het woord?
In deze analyse is
vertrokken van de vraag op welke manier en in welke mate de
verschillende actoren in de geanalyseerde artikels aan het woord
komen. In deze analyse onderscheiden we drie vormen waarop personen
of organisaties aan het woord komen: citaten, parafraseringen en
beschrijvingen van een standpunt.
Deze drie vormen
van participatie aan de berichtgeving worden in deze analyse als
actief gedefinieerd omdat de standpunten van deze groepen of
individuen (relatief) rechtstreeks in de krantenartikels terug te
vinden zijn. Daarnaast wordt er in de analyse een vierde vorm van
participatie betrokken:
In de analyse van
de personen die aan het woord komen, moet op het overwicht van de
actoren uit de juridische en politionele sfeer gewezen worden, zowel
op actief als op passief vlak. In slechts ongeveer 10% van de
gevallen komen de betrokkenen (een verzamelterm voor prostituées,
klanten en pooiers) aan het woord of wordt hun standpunt
weergegeven. De oproep die Vandervorst in 1994 deed ('Als er stemmen
over hoeren klinken, laat het dan stemmen van hoeren zijn'
(Vandervorst, 1994, p. 102)) is dus nog verre van ingelost. Alleen
hulpverleners en zaakwaarnemers komen nog minder aan bod.
Tabel 7: De vier
analyse-categorieën naar type actoren, in %
Het tekort aan
actieve aanwezigheid van prostituées in de berichtgeving wordt nog
schrijnender als gelet wordt op de mate waarin over hen geschreven
wordt. In bijna één derde van de fragmenten waar over een actor
geschreven wordt - zonder naar zijn of haar standpunt te verwijzen -
gaat het over de betrokkenen. In tegenstelling tot de actoren uit de
juridische en politionele sfeer is er geen evenwicht tussen actieve
en passieve aanwezigheid in de berichtgeving, maar een zwaar
overwicht van passieve aanwezigheid.
Als de 10
journalisten gevraagd wordt wie ze in verband met prostitutie ooit
geïnterviewd hebben, blijken bijna alle categorieën erg hoog te
scoren: juridische actoren en betrokkenen scoren het hoogste met 9
van de 10 journalisten die ooit een interview met deze groepen
hebben gedaan; hulpverleners, zaakwaarnemers en experten komen op de
tweede plaats met acht vermeldingen, en politieke actoren en
buurtbewoners komen op de derde plaats met zeven vermeldingen. Het
andere uiterste wordt gevormd door de zakenlui, die door niemand
werden geïnterviewd.
Tabel 8: Ooit een
interview gedaan met actoren
Worden de
journalisten (door middel van een open vraag) gevraagd wie ze bij
voorkeur interviewen, dan wordt heel sterk verwezen naar de actoren
uit de juridische en politionele sfeer enerzijds, en naar de
betrokkenen anderzijds. Daarnaast worden ook de hulpverleners en
zaakwaarnemers (waaronder 2 keer expliciet 'Payoke') en de
buurtbewoners meer dan eens vermeld.
Tabel 9: Wie bij
voorkeur interviewen over het onderwerp prostitutie
Als de 10
journalisten gevraagd wordt hoe de interviews verwerkt worden in de
artikels, en of zij de geïnterviewden vaak citeren, dan zeggen 9 van
de 10 journalisten dat ze effectief citaten in hun artikels opnemen.
4 journalisten verwijzen wel naar de noodzaak van de toestemming van
de geïnterviewde. Als zij gevraagd worden naar de reden waarom zij
geïnterviewden citeren, geven zij verschillende redenen: een
belangrijke reden is het vermenselijken van de problematiek en het
versterken van de geloofwaardigheid. Daarnaast zeggen drie
journalisten belang te hechten aan het letterlijk weergeven van de
woorden van de geïnterviewde omwille van het waarheidsgehalte van
deze techniek. Eén journalist verwijst naar de afstand die door
middel van een citaat gecreëerd kan worden tussen het standpunt van
de geïnterviewde en de journalist.
In de zeldzame
gevallen dat in de artikels verwezen wordt naar
hulpverleningsorganisaties, valt het wel op dat in het merendeel van
de gevallen naar Payoke verwezen wordt (55 verwijzingen). Andere
organisaties die in de onderzochte artikels terug te vinden zijn,
zijn Adzon (9 verwijzingen), Pasop (5 verwijzingen), Espace P (3
verwijzingen), Pandora (3 verwijzingen), de Rode Draad (1
verwijzing) en de Vertrouwenartsencentra (1 verwijzing). In
vergelijking met Payoke wordt dus in de 5 onderzochte Vlaamse
kranten slechts zelden naar deze andere organisaties verwezen.
Tabel 10: Welke
hulpverleningsorganisaties worden vermeld
Payoke kan daarom
als belangrijkste (potentiële) spreekbuis gelden voor prostituées.
Deze organisatie beschouwt zichzelf ook effectief als een
belangenbehartigingsorganisatie en verzet zich vanuit die
hoedanigheid tegen de slachtofferrol van de prostituée:
'De prostituée is
geen slachtoffer en prostitutie is geen noodzakelijk kwaad.
Prostitutie is een onderdeel van de samenleving, een onderdeel dat
er altijd geweest is en er al altijd zal zijn. Dus misschien wel
noodzakelijk, maar zeker geen kwaad.' (Payoke, 1998, p. 6)
Tegelijk is Payoke
actief in de bestrijding van de mensenhandel en is (zelfs)
gerechtigd tot burgerlijke partijstelling. Deze dubbele rol leidt
tot een discours van de organisatie dat een strikt onderscheid maakt
tussen enerzijds vrouwenhandel (en slachtofferschap) en anderzijds
de prostituées:
'Dat er veel
aandacht is voor het verschijnsel vrouwenhandel in de pers is
positief. Maar nog al te vaak worden er verkeerde linken gelegd.
Slachtoffers van vrouwenhandel noemt men prostituées, dit is een
stigmatisering. Slachtoffers van vrouwenhandel zijn geen prostituées.
Sommige vrouwen zijn in een situatie verzeild geraakt waarin ze niet
anders konden dan seksuele diensten verlenen. Daarentegen zien we
een groeiende groep van slachtoffers van mensenhandel die in andere
sectoren terecht komen: als dienstmeisje, als au-pair, in een
schijnhuwelijk, ...' (Payoke, 1998, p. 94)
Deze dualiteit
wordt mooi weerspiegeld in de berichtgeving waar Payoke vermeld
wordt. Naast de 'nepadressen'-zaak (waar Payoke beschuldigd werd van
het leveren van valse adressen aan 'tientallen vreemdelingen'), zijn
de thema's vrouwenhandel en criminaliteit enerzijds en de thema's
belangenbehartiging en gedoogzone anderzijds het meest aanwezig.
Tabel 11: Inhoud
vermeldingen 'Payoke'
Als de 10
journalisten gevraagd wordt naar hun standpunten over Payoke, zijn
drie van hen het oneens met de stelling dat Payoke een professionele
organisatie is. Ook drie journalisten (waarvan er twee het oneens
waren met de bovenstaande stelling) vinden dat Payoke geen goede
spreekbuis is voor de prostituées. Tenslotte vindt één van deze
journalisten dat Payoke zich te veel met de prostituées moeit.
Tabel 12:
Standpunten journalisten en prostituées
Het merendeel van
de journalisten beschouwt Payoke echter wel een professionele
organisatie en een goede spreekbuis. Bovendien wordt Payoke door
twee van de 10 journalisten (spontaan) vermeld als een betrouwbare
bron. Eén van de journalisten schrijft dat Payoke voor hem een goede
bron is omdat 'Payoke makkelijk bereikbaar is en een goed zicht op
de feiten heeft.'
3.3
Koosnamen en koosnaampjes voor prostituées
De verscheidenheid
aan termen die voor een prostituée gebruikt wordt, is een laatste
opvallende vaststelling uit de inhoudsanalyse die hier besproken
wordt. Sommige van deze termen kunnen een subtiele morele
veroordeling inhouden. Het woord 'hoer' is niet vrij van morele
connotaties, hoewel deze term niet door iedereen (even) negatief
wordt ervaren. Zo gebruikt Coyote de term 'Hooker', en is er het
Whore activitist network.
(Whore activitist network, 1996).
De meest frequent
gebruikte termen ('prostituée' en 'vrouw') hebben deze negatieve
connotatie niet (of minder), maar ook het woord 'meisjes' komt
bijzonder regelmatig voor, en verwijst niet zo direct naar mondige,
volwassen en onafhankelijke vrouwen.
Daarnaast moet ook
gewezen worden op de volledige afwezigheid van de term
'sekswerkster' in de geanalyseerde artikels.
Tabel 13: Termen
voor prostituées
Als we de aandacht
verder toespitsen op het gebruik van verkleinwoorden, dan blijkt dat
er 72 keer een 'echt' verkleinwoord gebruikt wordt. 'Hoertjes' komt
het meest voor. In de 89 gevallen dat de term 'hoer' gebruikt wordt,
is dit 71 keer als verkleinwoord. Journalisten gebruiken dus bijna
nooit de term 'hoer', wat een ander licht werpt op het pleidooi om
deze term toch te gebruiken. Het gebruik van de term 'hoertje' doet
overduidelijk afbreuk aan het beeld van de prostituée als autonoom
en mondig persoon.
Tabel 14: Termen
voor prostituées: verkleinwoorden
De term
'meisje(s)' wordt aanzienlijk meer gebruikt dan 'hoertje'. Strikt
genomen is deze term natuurlijk geen verkleinwoord, maar zoals
hierboven reeds opgemerkt, roept ook deze term niet onmiddellijk het
beeld op van een autonoom persoon.
Naar aanleiding
van de analyse van het woordgebruik wordt de 10 journalisten ook de
vraag gesteld welke termen ze gebruiken om een prostituée te
omschrijven. 2 journalisten zeggen alleen de term 'prostituée' te
gebruiken, en een derde zegt deze term in 9 van de 10 gevallen te
gebruiken, uitzonderlijk aangevuld met de term 'straatmadeliefje'.
Deze persoon wijst het gebruik van de term 'hoer' expliciet af,
omdat deze term 'zo denigrerend klinkt'. Een vierde journalist
antwoordt op deze vraag met 'neutrale termen', zonder deze te
specificeren.
Twee journalisten
zeggen naast 'prostituée' ook de term 'hoer' en 'gezelschapsdame' te
gebruiken.
Daarnaast zijn er
drie journalisten die zeggen meerdere termen gebruiken zoals
'tippelaarster', 'meisje', 'hoertje', 'meisjes van lichte zeden' en
'dames van plezier'. Eén van deze drie journalisten antwoordt op
deze vraag 'alle toepasselijke termen', ook weer zonder te
specificeren. De vaststelling dat voor prostituées verkleinwoorden
gebruikt worden, wordt hier bevestigd: 3 journalisten zeggen gebruik
te maken van verkleinwoorden.
Als hen gevraagd
wordt naar de reden van deze woordkeuze, verwijzen de journalisten
die meerdere termen gebruiken naar het belang van taalvariatie en
leesbaarheid. Andere journalisten wijzen op het belang van
neutraliteit in de woordkeuze. Eén journalist die de term
'prostituée' afwisselt met 'hoer' verklaart deze keuze door te
stellen: 'omdat een kat een kat heet'.
4. Besluit van
de inhoudsanalyse
Het mediadiscours
over prostituées is verre van gunstig te noemen. Als nagegaan wordt
welke identiteiten in de media aanwezig zijn, dan blijkt het
discursieve knooppunt de prostituée als slachtoffer5 te zijn. Zij is
het slachtoffer van een afschrikkingsbeleid, van vrouwenhandel6, van
haar illegale situatie en van geweld. Als de prostituée niet in een
slachtofferrol wordt geplaatst, wordt haar identiteit vaak gekoppeld
aan een negatieve benadering: de prostituée is dan een dievegge, een
verslaafde, een potentiële infectiebron, een bron van overlast of
een (illegale) gelukzoekster.
Daarnaast is het
beeld van de mondige prostituée zeldzaam: prostituées komen in de
berichtgeving zelf zelden aan het woord, terwijl er veel over hen
(en niet altijd in de meest fraaie bewoordingen) geschreven wordt.
Soms maakt het gekruide woord- en taalgebruik van journalisten dit
alleen maar erger. Ook de hulpverleningsorganisaties en
zaakwaarnemers, die als spreekbuis zouden kunnen optreden, komen
weinig aan het woord, ondanks het feit dat ze als deskundig worden
beschouwd.
Deze beeldvorming
kan niet los gezien worden van een verschijnsel dat Elias en Scotson
'pars pro toto stigmatisering' noemen: oftewel 'de vorming van een
algemeen beeld over een categorie buitenstaanders op basis van haar
'minderheid van de slechtsten.' (Van der Poel, 1994, p. 80) De
aandacht voor probleemcategorieën zoals de slachtoffers van de
vrouwenhandel zorgt ervoor dat vrouwenhandel als de kern van de
volledige prostitutiewereld wordt beschouwd, waardoor het stigma
juist vergroot:
'Hierbij valt op
dat zolang de beroepsprostituées de beeldvorming monopoliseren, de
publieke opinie zich snel wijzigt. Het emancipatieproces stagneert
en slaat snel om in het tegendeel als blijkt dat prostitutie ook
slachtoffers voortbrengt.' (Van der Poel, 1994, p. 79)
Zoals hoger reeds
opgemerkt mag de verantwoordelijkheid niet volledig bij de pers en
de journalisten in kwestie gelegd worden. Gedeeltelijk echter wel,
aangezien journalisten zichzelf graag zien zoals Gans ze genoemd
heeft: neutrale 'managers in de symbolische arena'. (Gans, 1980).
Nieuwsmedia zijn echter geen neutrale bemiddelaars, maar
(re)construeren in regel dominante discours. (Van Zoonen, 1991, p.
25) Deze analyse heeft aangetoond dat dit op een flagrante manier
ook het geval is als het gaat over de identiteit van prostituées.
Gedeeltelijk
moeten de media ook vrijgepleit worden, aangezien ze functioneren
binnen een zeer specifiek kader, waar overwegingen van plaats en
tijd een belangrijke rol spelen. In dit kader krijgen bijvoorbeeld
institutionele bronnen een structurele voorkeur. (Van Zoonen, 1991,
p. 37) Dit is belangrijk, want:
'Those in powerful or high status positions in society who offer
opinions about controversial topics will have their definitions
accepted, because such spokesman are understood to have access to
more accurate or more specialised information on particular topics
than the majority of the population.'
(Hall, 1978, p.
58)
De beperkingen
waar de pers aan onderhevig is, en de voorkeur voor institutionele
bronnen die hieruit voortvloeit, verklaren mede waarom juridische en
politionele bronnen zo sterk aanwezig zijn binnen de berichtgeving
over prostitutie en waarom zij erin slagen hun discours hegemonisch
te maken.
Het beeld is wel
niet geheel negatief: er moet opgemerkt worden dat een organisatie
als Payoke wel media-aandacht krijgt, en bovendien door het
merendeel van de bevraagde journalisten als deskundig wordt
beschouwd. Daar komt bij dat deze journalisten ook expliciet melden
een voorkeur te hebben om - naast de actoren uit de juridische en
politionele sfeer - prostituées in de berichtgeving te betrekken. Vandaar dat dit onderdeel wordt afgesloten met een pleidooi voor een zelforganisatie van prostituées, vanuit een communicatiewetenschappelijk standpunt. Een dergelijke organisatie zou enerzijds in staat kunnen zijn om de eigen thema's meer naar voor te schuiven op de media-agenda en daarbij invloed uit te oefenen op de politieke agenda, de media-organisaties meer te sensibiliseren voor het discours van de prostituée als de onafhankelijke, mondige vrouw en zelf meer aanwezig te zijn in de media om dit discours te helpen versterken. Anderzijds kan een zelforganisatie van prostituées ook voldoen aan de problemen die journalisten ervaren om snel en efficiënt een woordvoerdster te kunnen interviewen. Het is voor journalisten immers niet altijd een eenvoudige taak om een prostituée te vinden die bereid is om haar anonimiteit op te geven en in een artikel, op radio of televisie te figureren.
Het Amerikaanse
Coyote heeft hierbij een niet onbelangrijke voorbeeldfunctie: door
de jaarlijkse organisatie van de 'Annual Hookers convention' en het
'Hookers ball' slaagden zij erin om aanzienlijke persbelangstelling
uit te lokken: 'for the press it was an orgy.
They
filmed, photographed, and interviewed everyone who was generous with
her eyeshadow.'
(Jennes, 1990, p.
409) In de strijd om betekenisconstructie speelden zij een cruciale
rol:
'Coyote weet de
aanwezigheid van de pers te benutten om de eigen definitie van
prostitutie en prostituées voor het voetlicht te brengen. De
verslaggevers schrijven opgetogen over 'de nieuwe prostituée', een
type dat zich kenmerkt door strijdvaardigheid, zelfbewustheid en
trots op het vak dat zij beoefent.' (Van der Poel, 1994, p. 54)
Ook O'Neill
onderstreept het belang van de congressen en conferenties van
prostituées: over het 'European Whores Congress', dat in 1991 in
Frankfurt am Main doorging, schrijft ze:
'The
women at the congress were strong and articulate, demanding the
decriminalisation of prostitution and the same rights, civil
liberties and rights to human dignity as other workers.'
(O'Neill, 1997, p.
27)
Een derde
voorbeeld is de campagne van de English Collective of Prostitutes,
die in 1992 in London werd gevoerd aan de hand van 4 basisslogans:
In Vlaanderen
kunnen de door Payoke georganiseerde open-deur-dagen in de Antwerpse
prostitutiewijk als aanzet en voorbeeld dienen, naast de acties van
lokale, kleinschalige zelforganisaties zoals bijvoorbeeld Vikina (nu
Stiep) in Oostende en Pandora in Antwerpen.
5. Prostituées
en zelforganisatie
5.1
Belemmeringen voor groepsvorming
Het proces naar
meer groepsvorming en zelforganisatie is echter verre van eenvoudig,
zeker niet voor gemarginaliseerde en gestigmatiseerde subgroepen:
'Het stigma op
prostitutie en prostituées en de maatschappelijke uitstoting die
daarvan het gevolg is, brengen zowel prostituées-als-groep als
individuele vrouwen in een enorm isolement. (...( Bovendien brengt
de verdrukking waarin de prostitutie verkeert, een verdeeldheid
onder prostituées teweeg, zoals vaak het geval is bij onderdrukte en
gestigmatiseerde groepen. Dit nog afgezien van de verdeel- en
heerspolitiek, die door zowel klanten als pooiers toegepast wordt.
Rivaliteit en een gebrek aan solidariteit staan bewustwording,
blokvorming en organisatie in de weg'. (Vanwesenbeek, 1994, p. 377)
Het probleem van
groepsvorming wordt alleen maar bevestigd door de vaststelling dat
acties van prostituées vaak gerelateerd zijn dramatische
gebeurtenissen. Van Mens verwijst bijvoorbeeld naar de acties van
Franse prostituées in Lyon, die naar aanleiding van de moord op 2
prostituées in 1974 een eisenpakket samenstelden. (Van Mens, 1992,
p. 92)
Vanuit de
bevraging bij 73 Antwerpse straat- en raamprostituées kunnen een
aantal belemmeringen vastgesteld worden die de groepsvorming en
zelforganisatie zullen bemoeilijken.
Een eerste weinig
verrassende vaststelling is dat de heterogeniteit en mobiliteit van
de onderzochte groep prostituées erg groot is. Deze diversiteit
blijkt onder andere uit de verschillende talen die de prostituées
spreken: 34% werd in het Nederlands geïnterviewd, 22.5% in het Frans
en 37% in het Engels. Een tweede bevestiging van deze diversiteit is
dat bij de prostituées 15 verschillende nationaliteiten werden
geteld. 65% van de prostituées had een (Oost- of West-)Europese
nationaliteit, 25% een Afrikaanse. Een derde element dat deze
vaststelling staaft, is de verscheidenheid aan leeftijden: 54% van
de prostituées zegt jonger dan 30 jaar te zijn, een vijfde is tussen
30 en 40 jaar oud en een vijfde is 40 jaar of ouder. De jongste
prostituée zegt 19 jaar oud te zijn, de oudste 63 jaar.
De prostituées die
bevraagd werden, vertonen dus een duidelijk verschillend profiel.
Het is dan ook niet verrassend dat zij zelden een consensus bereiken
over belangrijke thema's zoals legalisering, het instellen van een
gedoogzone en de eroscentra. Vaak hebben de bevraagde thema's
ongeveer 50% voorstanders en 50% tegenstanders.
Ten derde zijn er
nog een aantal psychologische mechanismen, die de groepsvorming
zullen belemmeren. Zo is er bij de prostituées overduidelijk een
gevoel van wantrouwen aanwezig. Ongeveer 73% van de ondervraagde
prostituées zegt dat ze 'tegenwoordig geen vertrouwen meer heeft in
de mensen'. Daarnaast willen sommige prostituées een zo groot
mogelijke afstand creëren tussen hun beroep en privé-leven, hetgeen
Goode compartimentalisatie noemt. (Goode, 1960) Het engagement voor
de groep kan deze scheiding bemoeilijken en bovendien de gewenste
anonimiteit doorbreken. Een laatste element is dat sommige
prostituées volledig in beslag genomen worden door het dagelijkse
overleven en daardoor niet altijd de behoefte hebben zich te
engageren in het zoeken naar oplossingen voor problemen op lange
termijn. De illegale status van een deel onder hen is daar niet
vreemd aan.
5.2
Gemeenschappelijke kenmerken en elementen voor groepsvorming
Ondanks deze
diversiteit bestaan er wel een aantal gemeenschappelijke kenmerken.
Onder meer deze kenmerken kunnen als voedingsbodem dienen voor de
groepsvorming. Zo is bijvoorbeeld een relatief grote groep laag
geschoold (27% heeft geen of lager onderwijs genoten, 22.5% heeft
een diploma lager middelbaar onderwijs). Ook zijn prostituées vaak
ongehuwd (84%) en hebben ze relatief zelden een partner: 33% heeft
een partner. De meeste prostituées (64%) hebben geen kinderen, maar
bij de prostituées die wel kinderen hebben is de groep met twee of
meer kinderen vrij groot: 21% van de prostituées heeft 2 of meer
kinderen.
Ze werken ook vaak
in kamers die qua comfort te wensen over laten: slechts 28%7 werkt
in een huis dat geen (opvallende) gebreken vertoont. Bovendien
werken ze ook vaak samen: slechts 19% van de ondervraagde
prostituées zegt alleen te werken. Ook op het gebied van gezondheid
hebben de prostituées een reeks klachten gemeenschappelijk: rugpijn,
vermoeidheid, verkoudheden en hoofdpijn komen het meest frequent bij
de ondervraagde prostituées voor. Tenslotte moet een aantal
prostituées in - naar verhouding - onveilige omstandigheden werken.
12% zegt dat ze met lichamelijk geweld in aanraking is gekomen, en
evenveel prostituées zegt ooit overvallen of bestolen te zijn. 49%
zegt dat de politie prostituées discrimineert.
Vanwesenbeek
onderscheidt daarnaast een aantal mechanismen die kunnen bijdragen
aan de subjectivering van prostituées: arbeidsethos, verzet tegen
het milieu waarin ze zijn opgegroeid, de mogelijkheid om grenzen te
stellen en het objectiveren van klanten. (Vanwesenbeek, 1994) In de
Antwerpse bevraging zegt bijvoorbeeld 71% van de prostituées dat ze
zich machtig voelt tegen over hun klanten. In één van de
diepte-interviews die in het kader van dit onderzoek werden
uitgevoerd, verwijst een prostituée naar haar machtspositie en de
mogelijkheid om grenzen te stellen:
'Als je wat oplet
en je organiseert je leven, kan je als prostituée een aangenaam
leven hebben. Als ik eerlijk ben, doe ik het beroep graag omdat ik
een zekere machtspositie heb. En vrijheid. Het geld is niet altijd
belangrijk. Ik ben niks verplicht aan de klant. Hij betaalt wel,
maar hij zal doen wat ik zeg. Als het nee is, is het nee.'
(interview met Sandra, vrouw, 29 jaar).
Nog belangrijker
is het arbeidsethos en de financiële onafhankelijkheid waar
Vanwesenbeek naar verwijst (Vanwesenbeek, 1994, p. 369-370). Het
herdefiniëren van prostitutie als werk is bijvoorbeeld voor Coyote
één van de belangrijkste betrachtingen geweest:
'[...] prostitution is work, and the master concept of work should
replace the master concept of crime as the fundamental stance of
society toward prostitution.'
(Jennes, 1990, p.
405)
Het belang dat
gehecht wordt aan professioneel werken en kwalitatieve
dienstverlening levert een fundamentele bijdrage aan de identiteit
van de prostituée. Het maakt het onderscheid tussen een 'goede
prostituée' en een 'slechte prostituée' - dat Scrambler beschrijft -
mogelijk:
'For
many women sex workers 'being a prostitute' is not in itself
shameful. They do not accept, even if they are not impervious to,
society's ubiquitous cultural norms around (hetero-)sexual
relations. Often they have their own sub-cultural, or
counter-cultural notions of honour/dishonour. These may be related
to distinctions between 'good whores' and 'bad whores'. Good whores
are variously defined as women who maintain a code of fair work, ask
for money in advance, leave their clients feeling satisfied, use
healthy practices like washing clients and insisting on condoms,
remain emotionally (and sexually) detached, never provide services
not negotiated beforehand, and warn other women about dangerous or
unreliable clients.'
(Scambler, 1997,
p.109)
Dit onderscheid
kan gekaderd worden in de interpretatie van antagonistische
identiteiten van Lacau en Mouffe: volgens deze auteurs vormt
antagonisme identiteiten, maar destabiliseert het ze ook. (Howarth,
1998, p. 275) De antagonistische identiteiten hebben elkaar nodig,
maar bedreigen elkaar tegelijkertijd: 'the presence of the 'Other'
prevents me from being totally myself.
The
relation arises not from full totalities, but from the impossibility
of their constitution.'
(Laclau, 1985, p.
125) Het is immers niet mogelijk zichzelf een 'goede prostituée' te
vinden zonder het besef dat er 'slechte prostituées' bestaan.
5.3 Een
zelforganisatie?
De afweging tussen
de belemmeringen en de voedingsbodems leidt tot de conclusie dat
samenwerking tussen de prostituées wel degelijk tot de mogelijkheden
behoort. Ook een zelforganisatie lijkt haalbaar: 54% van de
prostituées verwacht dat een 'vakbond' voor prostituées verbetering
in hun situatie zal brengen. Een minderheid (30%) verwacht hierdoor
meer problemen met rijkswacht en politie.
Tegelijk blijken
de prostituées veel belang te hechten aan hun onafhankelijkheid: 70%
wil niet dat een dergelijke 'vakbond' hen regels gaat opleggen, en
90% zegt dat ze zich zonder 'vakbond' ook wel weten te redden.
Tabel 15:
Standpunten over een 'vakbond' voor prostituées
Als de prostituées
gevraagd worden wie een dergelijke 'vakbond' moet organiseren,
blijkt toch iets meer dan de helft (49%) een voorstander te zijn dat
prostituées zelf instaan voor de organisatie van een 'vakbond'.
Payoke komt op een tweede plaats met 30%, en de gewone vakbond op
een derde plaats met 5%.
Tabel 16: Wie moet
een 'vakbond' organiseren?
Vooral deze
laatste vraag wijst op de voorkeur voor een zelforganisatie. Het is
natuurlijk wel mogelijk dat reeds bestaande organisaties -
belangenbehartigers, zaakwaarnemers, hulpverleners of vakbonden -
een rol spelen in het ontstaan en blijven voortbestaan van een - van
deze organisaties onafhankelijke - zelforganisatie. Zij beschikken
immers over de structuur en de mogelijkheden om een impuls te geven
en om in te staan voor de logistieke ondersteuning.
6. Besluit
Vrouwenhandel,
heroïneprostitutie en kinderprostitutie zijn sociale fenomenen
waarvan het bestaan niet ontkent kan en mag worden. Het boek van
Chris De Stoop heeft een cruciale rol gesteld in het ontmaskeren van
een deel van de prostitutie als mensenhandel. (De Stoop, 1993)
Zaakwaarnemers, hulpverleners en de verschillende
overheidsinstanties hebben (terecht) gereageerd op deze
problematiek, en hun actie-terrein gedeeltelijk aangepast.
De eenzijdige
klemtoon op deze fenomenen - zoals nog eens werd aangetoond in de
inhoudsanalyse van de Vlaamse pers - heeft echter geleid tot een
hegemonisch discours rond het knooppunt van het slachtofferschap,
gekoppeld aan een keten van equivalente negatieve identiteiten. De
stigmatisering die hieruit voortvloeit berokkent ook schade aan de
(identiteit van) andere subgroepen binnen de prostitutiewereld,
zoals de beroepsprostituées.
Media spelen een
belangrijke rol in de constructie van dit beeld. Daarom is het niet
onlogisch hen te kiezen als kanalen om ook de autonome en mondige
prostituée in beeld te brengen, zodat de identiteit van de
prostituée als slachtoffer genuanceerd kan worden. Aangezien
mediaorganisaties zelf ook vaak onderhevig zijn aan het dominante
discours, zijn hiervoor hefbomen nodig. Eén van de mogelijkheden die
in deze tekst naar voren wordt geschoven is de zelforganisatie van
prostituées, naar analogie van organisaties als Coyote, het English
Collective of Prostitutes en de Rode Draad.
Een
zelforganisatie is natuurlijk niet de enige manier voor prostituées
om een meer subjectgerichte identiteit te bewerkstellingen. Van der
Poel verwijst in dit opzicht naar de symbolische functie van
scholing voor elke beroepsgroep. Bovendien is ook de weg van
zelforganisaties van prostituées een moeilijke weg, zoals de
buitenlandse ervaringen meer dan voldoende hebben uitgewezen.
Nochtans probeert
deze tekst aan te tonen dat er mogelijkheden en voedingsbodems zijn
om zo'n zelforganisatie levensvatbaar te maken. Reeds bestaande
organisaties zoals belangenbehartigers, zaakwaarnemers,
hulpverleners of vakbonden kunnen hierbij een sleutelrol vervullen,
zodat een onafhankelijke zelforganisatie op een grotere schaal dan
het lokale kan ontstaan en blijven bestaan. Op deze manier kan bijgedragen worden om, zoals Vanwesenbeek het stelt, bij prostituées: 'meer dan op hun objekt-zijn, de nadruk te leggen te leggen op hun subjekt-zijn [...] en om meer dan aan hun slachtofferstatus, stem te geven aan hun kracht.' (Vanwesenbeek, 1994, p. 378)
Lijst van
tabellen
Tabel
1: de geanalyseerde artikels
Bibliografie
Voetnoten
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Copyright © SOS Schipperskwartier 2006