|



















|

|
Rapport Mensenhandel 2000
Hoofdstuk II: Situatie op het terrein: knelpunten
en aanbevelingen
6. Knelpunten en eventuele voorstellen
6.1. Misbruik asielprocedure
In de vorige verslagen van het Centrum werd het misbruik van de
asielprocedure reeds uitvoerig aangeklaagd. Uit de gesprekken met de
betrokken actoren blijkt dat door de handelaars nog steeds op grote
schaal misbruik wordt gemaakt van dit systeem en het aantal
asielzoeksters die in de prostitutie werken de laatste jaren sterk
is gestegen.
In Antwerpen loopt het aantal vrouwen dat werkzaam is in de
prostitutie en kandidaat asielzoeker is, volgens de politiediensten,
op tot praktisch 90 %. Het blijkt dat het voor de verschillende
diensten zeer moeilijk is om efficiënt op te treden in situaties
waarbij de vrouwen illegaal of uitgeprocedeerd zijn. Tevens kan een
gevoel van onmacht ontstaan wanneer geen andere mogelijkheid bestaat
dan een vermoedelijk slachtoffer opnieuw naar het milieu te laten
gaan.
Het lijkt ons dat de bevoegde overheid zich dient te beraden over
het nemen van maatregelen teneinde deze misbruiken te kunnen
tegengaan. De Dienst Vreemdelingenzaken is in veel gevallen de
eerste officiële instantie waarmee slachtoffers in contact komen en
hij beschikt hierbij over een bevoorrechte positie om te vermijden
dat eventuele slachtoffers in het milieu worden geplaatst. Tevens
zijn de probleemnationaliteiten van slachtoffers alom bekend.
6.2. Relatie prostitutie en arbeid
Tijdens de gesprekken die het Centrum had met de verschillende
betrokken actoren kwam naarvoor dat meerdere personen/ diensten
binnen Antwerpen pleiten voor een statuut voor de prostituée: "Erken
prostitutie als arbeid en creëer op die manier een mogelijkheid voor
politiediensten om op te treden tegen diverse vormen van uitbuiting
binnen de prostitutie."
Wij zijn er ons van bewust dat deze discussie omtrent een statuut
voor de prostituee zich situeert binnen een complex kader waarbij
men vele voor- en tegenstanders vindt die elk hun eigen argumenten
kunnen aanhalen. Het is niet de bedoeling om hierbij van onze kant
positie in te nemen als voor- of tegenstander. Integendeel beperken
wij ons tot de mogelijkheden binnen de huidige wetgeving. Omtrent de
problematiek van de raamprostitutie werd ook contact opgenomen met
de andere betrokken actoren uit de vijf grote steden.
In dit verslag wil het Centrum een beknopte samenvatting weergeven
omtrent de wetgeving rond prostitutie en meer specifiek de relatie
prostitutie en arbeid. Het Centrum wil er de nadruk op leggen dat
dit gebeurt binnen het kader van eventuele mogelijkheden ter
bestrijding van de mensenhandel in de prostitutiesector en voegt
volledigheidshalve- toe hiermee geen afbreuk te willen doen aan het
thans bestaande gedoogbeleid. Tenslotte blijkt uit de gesprekken met
de verschillende actoren, in functie van de evaluatie in vijf grote
steden, dat de prostitutiesector nog steeds als één van de grootste
risicosectoren wordt beschouwd voor mensenhandel.
6.3. Het schipperskwartier te Antwerpen
Binnen de stad Antwerpen is het Schipperskwartier nog steeds een
grote risicosector. Volgens cijfergegevens van de sectie "Zeden" van
de opsporingsdienst binnen de gemeentepolitie bestaan er in deze
zone 284 vitrines.
Deze zijn verdeeld over de volgende straten: Grote en kleine
Kraaiwijk, Sint Paulusstraat, Sint Paulusplein, Sint Pietersvliet,
Oudemansstraat, Leguit, Korte Schipperskapelstraat, Schippersstraat,
Vingerlingstraat, Blauwbroekstraat, Verversrui, Keistraat,
Kommekensstraat en de Godefriduskaai. De huidige situatie is dat
voor deze vitrines omwille van de grote vraag vaak woekerprijzen
geboden worden, niet zelden door Albanese handelaars. De eigendom
der panden zou echter nagenoeg volledig in Belgische handen zijn. De
vitrines worden meestal verhuurd per shiften van 12 uur, zonder
afsluiting van een schriftelijke huurovereenkomst. In sommige panden
werken vrouwen in shiften van 8 uur. De meest voorkomende
herkomstlanden van de vrouwen achter de vitrines zijn Oost-Europa
(hoofdzakelijk Albanië) en West-Afrika.
6.4. Situatie onder meer te Gent en ten dele in Brussel wat betreft
de vitrinebars
Meerdere diensten te Antwerpen verwijzen naar de situatie te Gent
waar de prostitutiesector voornamelijk bestaat uit vitrinebars. Zij
wijzen erop dat een vergelijking met het prostitutiefenomeen in het
Antwerpse Schipperskwartier, waar de vrouwen een "quasi"
zelfstandige activiteit uitoefenen, niet mogelijk is.
In de vitrinebars is men officieel in het personeelsregister
ingeschreven als dienster. Officieel sporen de vrouwen achter de
vitrines de klanten enkel aan tot drankverbruik wat impliceert dat
het bestaan van prostitutieactiviteiten niet onmiddellijk zou kunnen
worden aangetoond. Hierdoor ontstaat een tewerkstelling in
ondergeschikt verband en kan bijgevolg de sociale inspectie mee
ingeschakeld worden bij controles en bij de vaststelling van
eventuele inbreuken en/ of situaties van uitbuiting. Onder meer op
die manier is men er in Gent in geslaagd de mensenhandel in deze
sector enigszins onder controle te houden.
Het is tevens de exploitant/ eigenaar die nadeel ondervindt bij
eventuele vervolging. Het is duidelijk dat het hier om een
gedoogbeleid gaat en vervolging enkel wordt ingesteld bij situaties
van uitbuiting en sociale overlast. Meer informatie hiervoor vindt
men terug in de beschrijving van de risicosectoren en de wijze van
optreden te Gent. De betrokken diensten te Gent wijzen ook op de
grijze zone waarbinnen prostitutie zich nu bevindt en bemerken dat
het interessant zou kunnen zijn om een standpunt in te nemen omtrent
prostitutie teneinde dit fenomeen uit de schemerzone te halen.
6.5. Wetgeving rond prostitutie
De afgeleide aspecten rond prostitutie zijn omschreven in de
strafwetgeving. Zo legt art. 380 bis SWB een bordeelverbod op en
stelt het elke persoon die de ontucht of prostitutie van een ander
exploiteert strafbaar.
Hierdoor wordt onder meer een legale tewerkstelling in ondergeschikt
verband onmogelijk. Voor de strafbaarstelling van het verhuren van
kamers met het oog op prostitutie zou een abnormaal profijt moeten
bewezen worden.
Verder willen we hiervoor verwijzen naar de zedenwetten van 27.03 en
13.04.95.
6.6. Prostitutie als zelfstandige arbeid?
Het is niet voor iedereen duidelijk of de activiteiten van een
prostituée kunnen beschouwd worden als een beroepsactiviteit. De
wetgever kent een beroep van prostituée niet. Volgens het koninklijk
besluit van 27 juli 1967 houdende de inrichting van het sociaal
statuut der zelfstandigen moet er voldaan zijn aan een sociologisch
en een fiscaal criterium. Aan het eerste criterium is voldaan
wanneer de persoon bij de uitoefening van zijn activiteit niet
gebonden is door een arbeidsovereenkomst of een statuut en het een
bezigheid betreft die gewoonlijk wordt uitgeoefend. Het fiscaal
criterium is zeer ruim en omvat elke bezigheid die regelmatig wordt
uitgevoerd en daardoor een professioneel karakter vertoont (Arbeidsrb.
Antw. 27.05.75).
Reeds in 1979 kwam het Arbeidshof te Antwerpen (01.06.79) tot
volgende beslissing: "Het louter aanbieden van zijn charmes tegen
betaling is niet verboden door de wet en vormt derhalve geen
ongeoorloofde beroepsactiviteit. Een dergelijke activiteit moet
bijgevolg worden beschouwd als zijnde een beroepsactiviteit die
aanleiding geeft tot een verzekeringsplicht in het kader van het
koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967." Een prostituee zou zich
als zelfstandige kunnen vestigen maar de hulpkas voor zelfstandigen
zou geen specifieke code voorzien.
6.7. Beroepskaarten voor vreemdelingen
Reeds in de vorige verslagen van het Centrum werd gemeld dat volgens
de OD en de BOB het weren van personen in de vitrines die niet over
een geldige beroepskaart beschikken, een stap vooruit zou betekenen.
Uit onze gesprekken blijkt dat sommigen van mening zijn dat men op
deze manier een vervolgingsbeleid moet kunnen uitwerken waarvan
voornamelijk de verhuurders/eigenaars een financieel nadeel
ondervinden. Zeker is dat velen werkzaam op het terrein te Antwerpen
reeds lang wachten op een duidelijk beleid dat bepaalt hoe zij
efficiënt kunnen optreden tegen de vormen van uitbuiting al dan niet
gelinkt aan mensenhandel binnen de raamprostitutie in het
Schipperskwartier. Hier is geen sprake van een duidelijk
ondergeschikt verband. Een vergelijking met de vitrinebars is niet
mogelijk daar deze officieel "drankgelegenheden" zouden zijn. De wet
van 19.02.65 meldt in artikel 1 dat elke vreemdeling die in België
een zelfstandige activiteit van winstgevende aard uitoefent in het
bezit moet zijn van een beroepskaart. Het onderzoek der artikelen
bepaalt: het is ook van toepassing op de vreemdeling die, hoewel hij
geen bepaald ambacht of beroep uitoefent, daden stelt waarvan het
geheel kan worden aangezien als een werkelijk met winstoogmerken
uitgeoefende activiteit (Parl.St. nr. 334 Senaat 27 juli '64).
Voor een aantal landen bestaat echter een vrijstelling, onder meer
voor de lidstaten van de Europese Economische Ruimte (EG, Noorwegen
en Ijsland). Tevens zijn Poolse, Tsjechische, Slowaakse, Bulgaarse
en Roemeense onderdanen vrijgesteld van het bezit van een
beroepskaart op basis van Associatie-akkoorden afgesloten tussen de
Europese Unie en de PECO-landen (centraal en oosteuropese landen).
Sinds 1 januari 2000 zijn ook onderdanen van Estland, Letland en
Litouwen vrijgesteld. De Associatieakkoorden laten met betrekking
tot een activiteit in loondienst voor diensters of prostituees geen
tewerkstelling toe.
Vervolgens vermeldt bovenstaande wetgeving dat door hoven en
rechtbanken de sluiting van de onderneming kan bevolen worden
wanneer een vreemdeling de beroepskaart namaakt of vervalst of een
inbreuk op artikel 13 van de betrokken wet begaat. Namelijk:
1° de vreemdeling die onderworpen aan de verplichtingen vermeld in
artikel 1 van onderhavige wet, een zelfstandige winstgevende
activiteit uitoefent zonder in het bezit te zijn van een
beroepskaart;
2° de vreemdeling die een zelfstandige winstgevende activiteit
uitoefent welke hem door de Raad voor Economisch Onderzoek inzake
Vreemdelingen verboden werd of die een bevel tot sluiting
uitgesproken door genoemde Raad overtreedt;
3° de vreemdeling die door het aanwenden van listige kunstgrepen een
beroepskaart bedriegelijk verkrijgt of onder zich heeft;
4° hij die de uitvoering van de taak van de in artikel 12 bedoelde
ambtenaren en beambten belemmert;
5° hij die wetens en willens onjuiste inlichtingen heeft verstrekt
of onjuiste documenten heeft bezorgd aan de ambtenaren en agenten
belast met dit toezicht, of aan de Raad voor Economisch Onderzoek
inzake vreemdelingen.
In een arrest van de Raad v. State dd. 09.06.'87 staat geschreven
dat de Minister van Middenstand de toekenning van een beroepskaart
kan weigeren wanneer hij als motivatie aanvoert dat de toekenning
van de beroepskaart de mogelijkheid zou bieden tot een nieuwe
inwijking en dat het toelaten van de beoogde activiteit het aantal
vreemde handelaars in het land zou doen toenemen.
Conclusies/Aanbevelingen
Het Centrum wil er de aandacht op vestigen dat de voorgestelde
aanbevelingen, hierbij specifiek gericht naar de raamprostitutie in
het Schipperskwartier in acht genomen de benadrukking door de
diverse actoren ter plaatse, dienen deel uit te maken van een pakket
van maatregelen ter bestrijding van de problematiek. Hierbij dient
trouwens aangestipt dat betreffende de situatie in het Antwerpse
Schipperskwartier kan gesteld worden dat de problematiek rond de
mensenhandel nauw gelieerd is met een aantal randfenomenen en dat
een multi-disciplinaire aanpak zich opdringt. Uit onze gesprekken is
gebleken dat er, onder meer gezien de onderbezetting van bepaalde
politiediensten, te weinig controles geschieden zodat deze
randcriminaliteit er een voedingsbodem heeft. Het terugdringen van
deze randcriminaliteit lijkt ons één van de maatregelen die het
fenomeen van de mensenhandel kan "controleerbaar en beheersbaar"
maken.
Reeds werd vermeld dat te Antwerpen 284 vitrines (zie gegevens
beschikbaar gesteld door Politie Opsporingen) beschikbaar zijn voor
de prostituees. De vraag dient gesteld te worden of hier voor de
bestuurlijke overheid geen rol is weggelegd om een uitbreiding van
het aantal vitrines tegen te gaan door het nemen van een aantal
maatregelen (bouwpolitie, hygiëne, overlegging schriftelijke
huurovereenkomst naar aanleiding van bepaling rendez-vous taks).
De wet van 19/02/1965 stelt in artikel 1 duidelijk dat elke
vreemdeling die op het grondgebied van het Rijk een zelfstandige
activiteit van winstgevende aard uitoefent, houder moet zijn van een
beroepskaart. Bij de analyse van de artikelen wordt vermeld dat deze
wet ook van toepassing is op de vreemdeling die, hoewel hij geen
bepaald ambacht of beroep uitoefent, daden stelt waarvan het geheel
kan worden aangezien als een werkelijk met winstoogmerken
uitgeoefende activiteit. De sluiting van de onderneming (wat hiervan
ook de aard en omvang wezen) kan bevolen worden wanneer één der
inbreuken vermeld in art. 13 plaatsvond.
De bedenking dient hierbij gemaakt te worden dat de Minister van
Justitie in zijn nieuwe omzendbrief col 12 duidelijk stelt dat
vormen van controle, die tegen de slachtoffers of de prostituees
zijn gericht, dan wel voor deze personen ongemakken zouden
meebrengen die niet in verhouding staan met de doelstellingen,
moeten worden vermeden. Controles die hoofdzakelijk ertoe zouden
leiden de zichtbare vormen van bedoelde verschijnselen in het
daglicht te stellen, maar irrelevant zijn met betrekking tot het
gestelde doel, moeten eveneens worden vermeden. Het Centrum sluit
zich hierbij aan en benadrukt dat deze zienswijze noodzakelijk is
met het oog op o.m. de veiligheid van (eventuele) slachtoffers.
In de vitrineprostitutie zijn er ons inziens meerdere situaties
mogelijk.
Enerzijds willen we verwijzen naar een Cassatiearrest van 4
september 1984 bepalende dat het art. 380bis §1 2° (bordeelverbod)
niet van toepassing is op de vrouw die een huis houdt waarin alleen
zijzelf zich aan ontucht of prostitutie overlevert. De vraag zou
kunnen worden gesteld op welke wijze hierop controle kan worden
gevoerd. Anderzijds zijn er de situaties waarin vrouwen werken in
shiften en/ of waar onderverhuring plaatsvindt. In dit laatste kader
zou volgens sommige magistraten ten aanzien van de eigenaar of
hoofdhuurder vervolgd kunnen worden op basis van de volgende
artikelen in het Sw:
hij die, ten einde eens anders driften te voldoen, een meerderjarige
zelfs met zijn toestemming, aanwerft, meeneemt, wegbrengt of bij
zich houdt met het oog op het plegen van ontucht of prostitutie (art.
380bis §1 1°);
hij die een huis van ontucht of prostitutie houdt (art. 380bis §1
2°);
hij die, op welke manier ook, eens anders ontucht of prostitutie
exploiteert (art. 380bis § 1 4°)
Het parket te Brussel voert de politiek dat in één vitrine (carré)
één prostituee werkzaam is en de vitrines worden verzegeld voor een
periode van enkele weken tot 3 à 4 maanden wanneer onderverhuring
wordt vastgesteld, illegale personen worden aangetroffen of geen
schriftelijke huurovereenkomst kan voorgelegd worden. Hierbij wordt
binnen het milieu een bepaalde tendens gecreëerd waardoor hoe langer
hoe minder optreden nodig is. Kunnen we hier niet spreken van een
sensibilisering ten aanzien van de eigenaar en de huurder? Met
betrekking tot de raamprostitutie in het Schipperskwartier moet ons
inziens minstens rekening gehouden worden met een overgangsperiode
daar het onmogelijk is deze situatie onmiddellijk op te lossen.
Het Centrum is er zich van bewust dat eventuele maatregelen de
nodige verschuivingen kunnen veroorzaken en een aanzienlijke
tijdspanne zullen vergen. Nochtans moet ons inziens een bepaald
evenwicht gevonden worden waardoor men vermijdt dat steeds meer en
meer slachtoffers gemakkelijk tewerkgesteld kunnen worden in de
vitrineprostitutie. Een eenduidigheid naar (gebeurlijke)
interpretatie van bestaande wetgeving alsook overleg (op nationaal
vlak) qua bestrijding der problematiek dringt zich ons inziens op.
In negatief geval zou immers "misbruik" kunnen worden gemaakt;
"risicogebieden" zullen alsdan verschuiven.
|