|
|
|
|
|
|
|
|
|
Verslag Senaat over mensenhandel en prostitutie (uittreksel)
De
mensenhandel en de prostitutie in België
VERSLAG
(...) De toestand van de prostitutie in enkele grote steden b) Antwerpen Tijdens een hoorzitting voor de subcommissie op 31 januari 2000 heeft mevrouw L. Detiège, burgemeester van Antwerpen, het Antwerpse prostitutielandschap beschreven. De politie en andere diensten maken in Antwerpen een onderscheid tussen vier prostitutiezones. Vooreerst is er het Schipperskwartier waar voornamelijk vitrineprostitutie bestaat. In de buurt van de Winkelhaakstraat heeft de stad geprobeerd de vitrineprostitutie te verwijderen. Men is daar in grote mate ook in geslaagd. In de Van Straelenstraat en de omgeving daar rond bestaat vooral straatprostitutie. Daar is een aantal keren tegen opgetreden. Daar is de prostitutie ook gebonden aan de problematiek van de hotels, die voor de prostitutie ter beschikking staan. Elders in Antwerpen zijn er nog privé-bars en escortebureaus en andere verdachte instellingen. Globaal zijn er 1 200 à 1 500 prostituees werkzaam te Antwerpen. In « zone 1 », de zone van het Schipperskwartier, bestaan er 284 vitrines. De vitrines zijn moeilijk te verkrijgen gezien het kleine aanbod en de grote vraag. Op het ogenblik stellen de Albanezen een aantal eisen aan de hoofdhuurders of prostituees. Er worden heel hoge prijzen gevraagd tot 4 000 frank per nacht per vitrine of 12 000 frank per week per shift. Er zijn panden waar drie shiften van acht uur plaatshebben. Meestal zijn er maar twee shiften. Er zijn geruchten dat de gevestigde Albanezen een aanbod doen op de prostitutiepanden met de bedoeling er een greep op te krijgen. In een tijdspanne van 24 uur zijn er een 350-tal prostituees werkzaam in dat gebied. In « zone 2 », de zone van de Winkelhaak, waren er in 1997 nog 81 prostitutievitrines. Die zijn nu verdwenen ingevolge het beleid dat door de stad, samen met het parket, werd gevoerd. Dit beleid bestond uit veelvuldige controles en uit het aankopen door de stad van verschillende panden, zodat ze prostitutievrij zijn gebleven. Niettemin verblijven er nog wel prostituees, afkomstig van Afrika en van het voormalige Oostblok (vooral Albanië), in de appartementen in dit gebied. Men kan stellen dat er niet veel nodig is opdat de prostitutie daar opnieuw actief wordt. In « zone 3 », rond het Atheneum, staan de tippelaarsters, als gevolg van de veelvuldige controles, niet meer in de portalen, maar wachten zij vaak binnen in het rendez-voushuis op hun cliënteel. Er wordt zelfs verwezen naar hun aanwezigheid, door middel van aanplakkingen aan de ingang of de gevel van dergelijke huizen. Er zijn een 14-tal rendez-voushuizen in deze zone. Ondanks de veelvuldige controles, stelt men vast dat er toch nog af en toe getippeld wordt. In deze zone zijn ongeveer 40 prostituees actief, voornamelijk van Afrikaanse of Oostblokorigine, met in veel gevallen het statuut van kandidaat-politiek vluchteling. Bovendien bevinden zich daar de heroïneverslaafden. Die bezorgen overlast in de buurt omdat zij aan agressieve klantenronseling doen. Een kleine minderheid van oudere, Belgische tippelaarsters zorgt daarentegen zelden voor problemen. Elders in het Antwerpse tenslotte (« zone 4 ») zijn er ongeveer 50 bars en cabarets, waar ongeveer 200 vrouwen actief zijn. Dagelijks zijn er zo'n 65 prostitutieadvertenties, waaronder prostitutie-escortes en privé-ontvangsten, verdeeld over de verschillende dag- en weekbladen. In Antwerpen zijn tevens vier « peep-shows » gevestigd. Over een periode van 7 jaren, kan men voor de stad Antwerpen de
volgende aangroei van prostitutie vaststellen :
1. Antwerpen Zo werd op 25 mei 2000, op vraag van procureur Van Lysebeth, de actie « Stadsstorm » uitgevoerd, een grootscheepse operatie tegen de georganiseerde misdaad. Meer dan 350 rijkswachters en politieagenten sloten hierbij het Schipperskwartier, het Falconplein en het stationskwartier hermetisch af, met het oog op een grondige controle van eenieder die zich in deze buurt bevond. Op voorhand zegde ook de Dienst Vreemdelingenzaken bij het ministerie van Binnenlandse Zaken haar medewerking toe. Er konden 16 illegalen onmiddellijk worden gerepatrieerd, zes cellen werden vrijgehouden in instellingen in Brugge en Merksplas. Deze actie, die maandenlang werd voorbereid, vond plaats een week na een eerdere operatie in deze buurt. De politiediensten hadden dan ook een precies idee welke personen geviseerd werden en mikten vooral op de prostitutienetwerken en op de mensenhandel. Ook de namaakhandel en de illegale casino's werden aangepakt. Bij deze gelegenheid werden 100 illegalen opgepakt en 63 personen werden voorgeleid. Een twintigtal huiszoekingen werd vervolgens verricht, vooral bij verdachten van mensenhandel. Het tijdstip waarop de actie begon, omstreeks 18 uur, was niet lukraak gekozen. Om 19 uur wisselen de « shiften » in het Schipperskwartier en dan zijn er veel pooiers. Niet de prostitutie is immers het kwaad, maar wel alles wat er rond hangt. Het is de bedoeling dat dergelijke grootscheepse operatie's in de toekomst herhaald worden. Aan de politie werd gevraagd om nieuwe prostituees informatie te geven, maar het blijkt dat die informatie in de beginfase wordt genegeerd. Pas in een latere fase doen de prostituees een beroep op de ter beschikking gestelde brochures. Op de opmerking van een lid, dat mensenhandel in toenemende mate betrekking heeft op kinderen niet alleen voor de prostitutie, maar ook voor illegale adoptie en organenhandel heeft mevrouw Detiège geantwoord dat de cel Zeden een onderzoek heeft ingesteld naar kinderprostitutie, op vraag van het parket. Hieruit blijkt dat er 15 tot 20 kinderen bij betrokken zijn. Er wordt nagegaan of er op straat kinderen zijn die, ofwel vrijwillig ofwel onder dwang, misbruikt worden. Het wordt aan de jeugdbrigade van de politie overgelaten om contact te zoeken met deze kinderen en voor psychologische opvang te zorgen. Dat is niet eenvoudig, omdat men eerst het vertrouwen van de kinderen moet winnen. Over de leeftijd van de betrokkenen bestaat nog geen zekerheid, maar het is wel duidelijk dat het om kinderen, jonger dan 17 jaar gaat. Sedert enkele jaren is er een Asia-cel, waarin de politie, de rijkswacht en de gerechtelijke politie samenwerken voor de controles in de Chinese wijk. Deze bevolkingsgroep is echter zeer gesloten. Slechts zeer af en toe wordt een klacht genoteerd. De burgemeester heeft ten stelligste ontkend dat de politie onder één hoedje zou spelen met de mensenhandelaars, zoals een lid heeft gesuggereerd. Er lopen wel enkele onderzoeken. Na de uitspraken daaromtrent zal men wellicht meer weten, maar beweren dat de politie corrupt is, is totaal onaanvaardbaar. Mevrouw Detiège heeft tenslotte de aandacht gevestigd op het feit
dat de burgemeesters van de vijf grote steden op geregelde
tijdstippen vergaderen. Ook de hoofdcommissarissen van de vijf grote
steden doen dit. Bovendien zijn er regelmatig ontmoetingen in het
kader van het Belgische Forum voor preventie en van het Europees
Veiligheidsforum. (...) V. Evaluatie van de prostitutie en de mensenhandel door de politiediensten 1. Antwerpen In het kader van gecombineerde bestuurlijke én gerechtelijke taken, houdt de cel « Zeden » van de Antwerpse politie steeds toezicht op de prostitutieactiviteiten, gepleegd op het ganse grondgebied van de stad Antwerpen. Door dit geheelomvattend toezicht kan snel een verschuiving van bepaalde prostitutieactiviteiten gesignaleerd worden, zowel aan de gerechtelijke als de bestuurlijke overheid. Uit deze opdracht is een geautomatiseerd bestand ontstaan, waarin de informatie op een systematische wijze wordt ingebracht. Dit bestand is conform de geldende wetgeving met betrekking tot de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en kan enkel worden gewijzigd door de leden van de « cel Zeden » van de Opsporingsdienst van de Antwerpse politie. De informatie is echter ter beschikking van alle politiediensten gemeentepolitie, rijkswacht en gerechtelijke politie wanneer ze nodig is in het kader van onderzoeken. Om misbruiken te voorkomen, wordt de reden voor opvraging echter nagegaan. Het bestand is alom bekend en wordt vaak geraadpleegd. De meeste dossiers worden geraadpleegd in het kader van de onderzoeken naar mensenhandel door gespecialiseerde recherche-eenheden, maar zijn ook nodig om de evolutie van het prostitutiemilieu in kaart te brengen. In deze digitale bestanden worden verwerkt: Alle gegevens die in dit bestand worden verwerkt worden geput, zowel uit eigen vaststellingen als uit processen-verbaal en informatie die door politiediensten worden opgestuurd en die worden opgeslagen overeenkomstig het protocolakkoord in het kader van het vijfhoeksoverleg. Met betrekking tot de louter gerechtelijke taken van de cel « Zeden » van de Opsporingsdienst van de Antwerpse politie, heeft mevrouw Detiège erop gewezen dat, in het kader van de bestrijding van de exploitatie van ontucht en prostitutie en van de mensenhandel, steeds proces-verbaal wordt opgesteld. Daarbij kan het gaan om verschillende soorten van proces-verbaal. Een « proces-verbaal van inlichtingen » wordt opgesteld bij elke fichering, elke identificatie van een nieuwe prostituee of uitbater van een peepshow, een seksshop en andere instellingen die verdacht zijn op zedelijk gebied. Bij een dergelijk proces-verbaal is de strafbaarstelling van sexuele exploitatie echter niet onmiddellijk aanwijsbaar. Bij het eerste aantreffen van het meisje en het eerste gesprek is het meestal niet duidelijk of zij zich vrijwillig of onder dwang prostitueert. Op dat ogenblik is er geen element voorhanden waaruit blijkt dat de betrokkene slachtoffer is van mensenhandel. Indien de prostituee dit niet weigert, wordt zij gefotografeerd. Een « proces-verbaal betreffende de verhuring van kamers met het oog op het plegen van prostitutie en exploitatie van prostitutie » wordt door de Antwerpse politie opgesteld bij elke identificatie van een exploitant, met name een verhuurder of een eigenaar van een prostitutiepand (vitrines). De « processen-verbaal van inlichtingen » inzake fichering van nieuwe prostituees zijn vaak de hoekstenen van deze dossiers. Bij elke identificatie van een uitbater van een bar of een verantwoordelijke van prostitutie-escort wordt een « proces-verbaal betreffende de exploitatie van prostitutie » opgesteld. Ook hier zijn de « processen-verbaal van inlichtingen » veelal de start van dergelijke dossiers. Tenslotte wordt een proces-verbaal betreffende reclame voor diensten van sexuele aard » opgesteld bij elke identificatie van een verantwoordelijke van een prostitutie-escort die ook adverteert of van een particuliere persoon die privé ontvangt en terzake adverteert. De opsporingsdienst van de Antwerpse politie, cel Zeden, onderzoekt tevens alle dossiers die bij de politie worden opgestart, waar elementen voorhanden zijn die doen vermoeden dat mensenhandel in de eerste plaats vrouwenhandel in de prostitutie in het spel is, en dit na overleg met het parket. Gezien de uitgebreide documentatie die de politie ter beschikking heeft, wordt de « cel Zeden » vaak gelast door het parket of door onderzoeksrechters bij ernstige gebeurtenissen in het prostitutiemilieu zoals schietpartijen, steekpartijen, racketeering, bedreigingen, zware slagen, enz. Vaak zijn deze gebeurtenissen gepleegd door handlangers van de handelaars die instaan voor de bescherming en de bewaking van hun meisjes. Naast de onderzoeken van dergelijke misdrijven, volgt de Antwerpse politie de ernstige sexuele delicten op, met name verkrachting en ernstige aanranding van de eerbaarheid. De « cel Zeden » van de Antwerpse politie heeft eveneens een globaal overzicht gegeven van de problemen die zich stellen in verband met de prostitutie.
Vitrineprostitutie en rechtspraak De begrippen « abnormaal hoge huurprijs » of « abnormaal profijt
» geven aanleiding tot een verdeelde rechtspraak: Voor het bewijs van abnormaal profijt bemoeilijkt de zogenaamde « rendez-vous-taks », die wordt geïnd door het Antwerpse stadsbestuur, blijkbaar de veroordelingen, vermits de vonnisrechter hiermee rekening houdt in zijn motivering. Dit blijkt onder meer uit het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 24 januari 1996 : « ... Abnormaal profijt is niet bewezen nu uit de door deze beklaagden voorgelegde stukken blijkt dat zij voor de verhuur van kamers jaarlijks aanzienlijke bedragen aan gemeentebelasting dienen te betalen aan de stad Antwerpen ... » Misbruik van de status van «
kandidaat-politiek vluchteling » De Dienst Vreemdelingenzaken repatrieert deze personen niet, ook al zijn er in Antwerpen gevallen bekend van Albanese kandidaat-politiek vluchtelingen wier kandidatuur is afgewezen, maar die reeds gedurende meer dan drie jaar ongestoord in de stad verblijven. Bij de verhoren van de zogenaamde Kosovaarse vluchtelingen die worden aangetroffen in de prostitutie, blijkt uit verklaringen van de beëdigde tolken dat het merendeel van deze vrouwen een Albanees dialect spreken. Zij komen dus met zekerheid uit Albanië. Waarom wordt dit niet meteen vastgesteld bij het eerste verhoor van de Dienst Vreemdelingenzaken te Brussel ? De mensenhandelaars en de traficanten maken immers misbruik van deze situatie. Volgens de Antwerpse politie is een efficiënte bestrijding van het fenomeen van de mensenhandel en de prostitutie slechts mogelijk door het afzetgebied voor dergelijke criminelen te beperken. Het lijkt dan ook aangewezen om, zolang de procedure voor erkenning als kandidaat-politiek vluchteling loopt, de betrokkene te laten verblijven in een gesloten instelling. Op die manier blijft zij uit de handen van haar pooier. De wet-Franchimont Om die reden heeft de politie haar werkwijze veranderd. Op het politiecommissariaat heeft men enkel een vertrouwelijk gesprek met de betrokken vrouw dat belangrijke informatie oplevert. Hiervan wordt proces-verbaal opgemaakt en dit wordt doorgezonden naar het parket. De bewijslast daarvan is echter nihil, vermits een ondertekende verklaring nog steeds onontbeerlijk is in een gerechtelijk onderzoek betreffende verhuring met het oog op het behalen van een abnormaal profijt. Sociaalrechtelijke aspecten De toepassing van de wet van 19 februari 1965 betreffende de arbeids- en beroepskaarten is eveneens een element tot bestrijding van de mensenhandel. Artikel 1 van deze wet bepaalt immers dat elke vreemdeling die een zelfstandige activiteit van winstgevende aard uitoefent, houder moet zijn van een beroepskaart. De prostitutie is zonder enige twijfel een winstgevende activiteit. De kandidaat-politiek vluchteling heeft geen vrijstelling gekregen en is bijgevolg ook verplicht een dergelijke kaart te hebben, overeenkomstig artikel 7 van de wet. De wet van 19 februari 1965 voorziet in strafrechtelijke bepalingen en bepaalt eveneens dat de panden kunnen worden gesloten worden wanneer niet-houders van arbeidskaarten worden aangetroffen in de prostitutiepanden. Controle hierop is mogelijk tijdens de dag en tijdens de nacht. Deze bepalingen maken het mogelijk om zogenaamde « toeristen » van buiten de EU te weren uit de prostitutie. Problematiek van de vergunningen Wegvallen van de grenzen Wanneer een vreemdeling als toerist het land binnenkomt, kan hij hier gedurende drie maanden verblijven. Tijdens deze periode worden de betrokkenen in de prostitutie geplaatst door de mensenhandelaars, de pooiers en de traficanten. In tussentijd verblijven ze hier op een wettelijke wijze en kan de politie niet echt ingrijpen. Concluderend stelt de Antwerpse politie vast dat,
niettegenstaande de vele controles, het opstellen van
processen-verbaal, de vorderingen van het parket en zelfs de
veroordelingen uitgesproken tegen exploitanten en trafikanten, de
misbruik van de kandidatuur van politiek vluchteling als « rode
draad » door alle onderzoeken loopt. De prostitutie blijft in de
schemerzone omwille van het ontbreken van enige reglementering van
de prostitutie-activiteiten op zich. Het voeren van een gericht
gerechtelijk onderzoek blijft dan ook bijzonder moeilijk en
tijdrovend bij gebrek aan wettige instrumenten, en leidt in sommige
gevallen enkel tot de bestraffing van de randcriminaliteit. (...) VII. Samenwerking tussen de administratieve, de gerechtelijke en de politionele overheden De leden van de subcommissie hebben, tijdens verschillende hoorzittingen met vertegenwoordigers van de politionele, de gerechtelijke en de administratieve overheden, de samenwerking onderzocht tussen deze overheden in het kader van de bestrijding van de mensenhandel en de prostitutie. Daarbij werden vaak uiteenlopende standpunten naar voor gebracht, die hieronder systematisch worden weergegeven. 1. Standpunt van de administratieve overheden Als voorbeeld van de samenwerking tussen de verschillende overheden, heeft mevrouw Detiège gewezen op het optreden tegen de goudhandel in de Pelikaanstraat. Dit gebeurt door de politie in samenwerking met het parket, die in permanente samenwerking opereren. Op het Falconplein, waar namaakgoederen worden verkocht en illegale arbeid zich voordoet, worden er regelmatig controles gedaan door de rijkswacht en de politie, samen met de economische inspectie en de sociale diensten. Daarover wordt ook verslag uitgebracht in het vijfhoeksoverleg en worden de gevolgen en de filières daarrond onderzocht. In verband met de prostitutie bestaat er een protocol met
taakafspraken tussen politie, rijkswacht en gerechtelijke politie.
Zo werd afgesproken dat ze elkaar helpen als zich een tekort bij een
van de diensten voordoet. Ook in het arrondissementeel overleg
tussen politiediensten werd gesproken over de terbeschikkingstelling
van mankracht. De informatiedoorstroming verloopt nu veel beter dan
vroeger. (...) X. Opvang van de slachtoffers van de mensenhandel De subcommissie heeft op 20 maart 2000 een hoorzitting georganiseerd met mevrouw P. Sörensen, Europees parlementslid en voormalig coördinator van de VZW Payoke, alsmede met de verantwoordelijken voor de drie VZW's die, overeenkomstig de richtlijnen van de regering (12), werden erkend als « gespecialiseerde onthaalcentra » voor de opvang en de begeleiding van de slachtoffers van mensenhandel. (...) In onderling overleg met de drie gespecialiseerde centra is men tot de conclusie gekomen, dat redelijkerwijze elk centrum jaarlijks op gestructureerde basis over een budget van 19 miljoen frank moet beschikken. De oprichting van de centra is een vrijwillig genomen besluit van de regering, hoewel ze geen gouvernementele organisaties zijn. Waarom worden ze niet gefinancierd zoals het gesloten centrum van Vottem ? De centra zouden dan open centra zijn en hun personeelsleden zouden ambtenaren zijn. Dat zou meer dan 19 miljoen kosten. Op dit ogenblik geeft men echter bijna geen werkingssubsidies. De heer Bruno Moens, coördinator van de VZW Payoke, heeft zich aangesloten bij de verzuchtingen van de andere VZW's. Hij heeft tevens een aantal aanpassingen voorgesteld in de wetgeving op het vlak van de strijd tegen de mensenhandel. Zo dient er een identieke strafmaat voor àlle vormen van mensenhandel te komen, ongeacht of het gaat over de toepassing van artikel 77bis van de Vreemdelingenwet dan wel van artikel 380bis, § 1, 1º, van het Strafwetboek. De verzwarende omstandigheden die bij de toepassing van artikel 77bis kunnen worden ingeroepen, met name mensenhandel of prostitutie, zouden ook voor artikel 380bis moeten kunnen worden ingeroepen. Andersom zou, in artikel 77bis van de Vreemdelingenwet, wie een slachtoffer van mensenhandel naar België heeft helpen vervoeren strafbaar moeten worden gesteld, ook al gebeurde het transport met de toestemming van het slachtoffer. In artikel 380bis, § 4, van het Strafwetboek, wordt de categorie van minderjarigen tussen 16 en 18 jaar over het hoofd gezien. Het is nochtans voornamelijk deze categorie van minderjarigen die in de mensenhandel terechtkomt. Het is niet duidelijk op basis van welke strafrechtelijke bepaling deze categorie kan worden bestraft. Daarover moet duidelijkheid worden geschapen. Bovendien moet het hele beleid inzake prostitutie worden hertekend. Het gedoogbeleid, dat nu wordt gevoerd, raakt kant noch wal. Er heerst een volkomen willekeur. De overheid moet een duidelijke keuze maken tussen ofwel een reglementerend, ofwel een prohibitionistisch beleid. De heer Moens heeft erop gewezen dat men de mond vol heeft over de redelijke termijnen waarin artikel 6 van het EVRM voorziet, maar dat dit artikel vooral gericht is op de daders en niet op de slachtoffers. Het kan niet dat een gerechtelijk onderzoek soms tot zes jaar kan duren vooraleer er een uitspraak is. Dit is gedeeltelijk te wijten aan de onderbemanning van de politiediensten en aan een gebrek aan middelen bij de parketten, maar wanneer men de mensenhandel op een efficiënte manier wenst aan te pakken, dan moeten daarvoor de vereiste middelen worden vrijgemaakt. Spreker heeft verklaard voorstander te zijn van structureel overleg tussen de magistratuur, de betrokken politiediensten en de bestuursrechtelijke organen, in casu de Dienst Vreemdelingenzaken. Er bestaat thans immers nagenoeg geen overleg tussen die diensten, noch met de NGO's of de Sociale Inspectie. De heer Moens heeft opgemerkt dat de wet van 13 april 1995 een repressief karakter heeft, zoals blijkt uit de parlementaire werkzaamheden. Van die repressie valt in de praktijk echter zeer weinig te merken. Doorgaans worden mensenhandelaars tot twee of drie jaar gevangenis veroordeeld, terwijl de wet nochtans in 10 tot 15 jaar dwangarbeid voorziet. Op die manier kan de mensenhandel niet echt worden aangepakt. Het is wenselijk dat mensenhandelaars onmiddellijk administratief worden aangehouden en teruggewezen. Het is hallucinant om te zien hoe een mensenhandelaar twee jaar celstraf krijgt en nauwelijks een jaar later vrijkomt. Meestal zet hij zijn activiteiten overigens zowel in de gevangenis als na de vrijlating gewoon verder. Dat kan absoluut niet. Wie veroordeeld wordt voor feiten van mensenhandel, zou moeten bijdragen tot het Fonds voor slachtoffers van opzettelijke gewelddaden. Een vreemdeling die slachtoffer van mensenhandel is, kan op dat fonds evenwel geen beroep doen. Zowel in de eindconclusies van de onderzoekscommissie « Mensenhandel » van 1994 als in meer recente rapporten van de regering staat te lezen dat de opvang van slachtoffers prioritair is. Niettemin heeft de heer Moens vastgesteld dat het 51 bladzijden tellend rapport van de regering van oktober-november 1999 nauwelijks drie pagina's wijdt aan de opvang van slachtoffers. Men kan dan ook moeilijk spreken van een prioriteit. Voor hun verblijfskaarten kunnen slachtoffers van mensenhandel zich beroepen op de omzendbrief van 1994. De Dienst Vreemdelingenzaken past voor slachtoffers, die al twee jaar wachten op een uitspraak in een gerechtelijk onderzoek dat uiteindelijk wordt geseponeerd, impliciet een « stopprocedure » toe. Deze « stopprocedure » zou moeten worden opgenomen in de omzendbrief. Bovendien moet er duidelijkheid komen over het toepassingsveld van die omzendbrief. Is hij alleen van toepassing op slachtoffers van mensenhandel met het oog op prostitutie, of kan hij ook worden toegepast op slachtoffers van mensenhandel met het oog op clandestiene immigratie of economische uitbuiting ? Een slachtoffer dat een verblijfskaart krijgt heeft ook recht op sociale steun. Deze mensen kunnen echter geen beroep doen op een integratie- of een installatiepremie. In het koninklijk besluit over de hulp aan slachtoffers van mensenhandel moet een bepaling worden opgenomen, zodat deze mensen net als gelijk welke andere vreemdeling met identieke verblijfsdocumenten aanspraak kunnen maken op deze premies. De heer Moens heeft ook de omzetting bepleit van het levensminimum naar het bestaansminimum. Thans komen zij immers niet in aanmerking voor een hele reeks van werkgelegenheidsprojecten en evenmin voor de voordelen van de artikelen 60 en 62 van de OCMW-wetgeving. Er moet ook een oplossing komen voor de voorfinanciering van de OCMW-steun. Wie een verblijfsvergunning heeft, heeft recht op OCMW-steun. Op dit ogenblik schieten de VZW's die voor, maar soms is er tot vier maanden achterstal in de betalingen van het ministerie, hetgeen hen op de rand van het faillissement brengt. Dit is absoluut onaanvaardbaar. Mensen, die beschikken over een aankomstverklaring en een bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister, kunnen wel in België werken. De traagheid in de verlenging van die verblijfsdocumenten kan echter niet door de beugel. Wie een aankomstverklaring heeft en een werkgever vindt die bereid is de omslachtige procedure te doorlopen, moet een maand wachten op een arbeidsvergunning of een arbeidskaart. Als zijn verblijfsvergunning vervalt, moet hij opnieuw een aanvraag doen en weer vier weken wachten vooraleer die arbeidsvergunning of arbeidskaart wordt uitgereikt. In concreto betekent dit dat de betrokkene zijn job verliest. Deze regelgeving moet dringend worden aangepast en de verlenging moet vlotter verlopen. Ook de aanpassingen die er zijn gebeurd aan de reglementering inzake tewerkstelling van buitenlandse werknemers, waardoor personen die worden geregulariseerd in het kader van artikel 9 van de Vreemdelingenwet of in het kader van de nieuwe grootschalige procedure, worden vrijgesteld van de verplichting over een arbeidskaart of -vergunning te beschikken, werden negatief onthaald. Slachtoffers van mensenhandel kunnen immers niet van deze vrijstelling genieten. Dit is een enorme discriminatie, waaraan dringend een einde moet worden gemaakt. De heer Moens heeft zich aangesloten bij het pleidooi van de vertegenwoordigers van Sürya en Pag-Asa voor een gestructureerde financiering van de gespecialiseerde onthaalcentra. Payoke heeft loonsubsidies voor de drie medewerkers in het opvangtehuis en één gesco voor de ambulante werking. Deze vier personeelsleden staan in voor het beheer van 100 dossiers. De werkingskosten worden niet gesubsidieerd. Men mag hopen dat er iemand een initiatief zal nemen deze wankele financieringsstructuur te verstevigen. Een lid van de subcommissie heeft opgemerkt dat het essentieel is dat de verschillende VZW's een permanent vangnet blijven en in het kader van de hulpverlening die zij organiseren, in direct contact komen met de slachtoffers. Hierbij fungeren ze wel als een doorgeefluik voor essentiële informatie aan de bevoegde diensten. Opdat de slachtoffers zich in vertrouwen tot deze organisaties zouden kunnen richten, hebben de VZW's nood aan een onafhankelijk statuut ten aanzien van de ordediensten en de justitiële instellingen. In die zin kunnen deze organisaties zich niet bezighouden met de strijd tegen de criminaliteit, hoewel de verleiding daartoe misschien groot is. Spreker heeft zich afgevraagd in welke mate de mensen die bij deze VZW's werken, beschermd zijn tegen deze vormen van criminaliteit. Elk van deze organisaties loopt immers risico's van intimidatie, infiltratie, chantage, enzovoorts. Als geprivilegieerde getuigen en als ervaringsdeskundigen zijn zij soms verplicht gevoelige informatie door te geven aan de overheidsinstelling, die mede oorzaak kan zijn van het probleem, bijvoorbeeld wanneer sporen van mensenhandel worden vastgesteld bij de Dienst Vreemdelingenzaken. Een betere monitoring door een onafhankelijke instantie of « task force », waarvan men zeker weet dat ze niet betrokken is bij de georganiseerde criminaliteit inzake mensenhandel, zou hierin een oplossing kunnen bieden. Mevrouw Sörensen, lid van het Europees Parlement, heeft verwezen naar een studie, opgesteld door Interpol, betreffende de relaties tussen NGO's en politie. Interpol, Europol en andere internationale politiediensten hebben voorstellen gedaan om de samenwerking met de NGO's voor slachtofferhulp te verbeteren. Hoewel er altijd een zeker spanningsveld zal blijven bestaan tussen de overheidsdiensten en de NGO's, is de ethiek op dit werkterrein de jongste jaren zeker niet verslecht. Ook bij de Dienst Vreemdelingenzaken zijn er mensen waarmee goed valt samen te werken. Het komt erop aan met deze mensen een degelijke, werkzame relatie op te bouwen en een gemeenschappelijke ethiek te ontwikkelen. Een volledige opsplitsing in de aanpak tussen de overheid en de NGO's is dan ook niet wenselijk. Dit neemt niet weg dat het misschien wel nuttig zou kunnen zijn om de functie van « bijzondere commissaris » in het leven te roepen of een specifieke rapporteur aan te duiden voor de problematiek van de mensenhandel en de prostitutie, die ook de bevoegdheid zou krijgen de heikele dossiers naar zich toe te trekken. In het buitenland is dit wellicht eerder nodig dan in België. Tijdens een hoorzitting voor de subcommissie op 7 februari 2000 heeft de heer Van der Sijpt, procureur des Konings te Brussel, beklemtoond dat, zijns inziens, de strijd tegen de mensenhandel ondenkbaar is zonder die VZW's. De discussie, of het werk van een VZW of aan een overheidsinstelling moet worden toegewezen, blijft open. Beide vormen zullen hun voor- en nadelen hebben. Het is echter niet onbelangrijk dat een VZW over een onafhankelijkheid beschikt en dat ze die ook kan waarborgen tegenover de slachtoffers. Een gerechtelijke instantie moet respect hebben voor de positie van zo'n VZW, zodat die haar rol ten volle kan spelen. De samenwerking verloopt zeer vlot.
|
|
|
|
|
Copyright © SOS Schipperskwartier 2006